Het testament van Shaykh Rabī‘ al-Madkhalī

Leestijd: 4 min

Overleden in de nacht van donderdag 15 Moeḥarram 1447h. Het dodengebed is voor hem verricht in de moskee van de Profeet () na het fadjr-gebed en hij is begraven in de begraafplaats al-Baqī‘ (moge Allāh hem genadig zijn en de hoogste rangen van het Paradijs schenken).

In de naam van Allāh, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.

Voorwaar, alle lof behoort toe aan Allāh. We loven Hem, zoeken Zijn hulp en vragen om Zijn vergiffenis. We zoeken onze toevlucht bij Allāh tegen het slechte van onszelf en [de gevolgen van] onze slechte daden. Wie Allāh leidt — niemand kan hem doen afdwalen. En wie Allāh laat afdwalen — niemand kan hem leiden. En ik getuig dat er geen god is die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allāh — Hij alleen zonder deelgenoten — en ik getuig dat Mohammed () Zijn dienaar en Boodschapper is.

{O jullie die geloven! Vrees Allāh zoals Hij gevreesd dient te worden en sterf niet anders dan als moslims.} (3:102)

{O mensen! Vrees jullie Heer, Die jullie uit één ziel heeft geschapen, en daaruit zijn echtgenote schiep, en uit beiden vele mannen en vrouwen voortbracht. En vrees Allāh in Wiens Naam jullie elkaar [om zaken] vragen, en [verbreek] de familiebanden [niet]. Voorwaar, Allāh is over jullie een Waker.} (4:1)

{O jullie die geloven! Vrees Allāh en spreek een waarachtig woord. Hij zal jullie leiden naar het verrichten van goede daden en jullie zonden vergeven. En wie Allāh en Zijn Boodschapper gehoorzaamt heeft zeker een geweldige overwinning behaald.} (33:70–71)

Voorts:

Voorwaar, het beste woord is het Boek van Allāh en de beste leiding is de leiding van Moḥammed (). En de slechtste zaken zijn de vernieuwde zaken (in de religie), en elke vernieuwde zaak is een (religieuze) innovatie, en elke innovatie is dwaling, en elke dwaling leidt naar het hellevuur.

Voorts:

Dit is een advies aan de moslims in het algemeen van een zwakke dienaar — die op het punt staat dit wereldse leven te verlaten en zich begeeft richting het hiernamaals — om Allāh te vrezen zoals Hij gevreesd dient te worden, om gezamenlijk vast te klampen aan het Touw van Allāh (de Koran en de Soennah) en om niet verdeeld te zijn noch de religie op te splitsen, want voorwaar, in het vrezen van Allāh en het vastklampen aan Zijn touw middels het Boek en de Soennah ligt hun geluk en hun soevereiniteit in deze wereld en het hiernamaals. En in verdeeldheid en het verschillen met elkaar ligt hun vernedering en schande. En het is voor hen (de moslims) niet mogelijk om zich te verenigen en hun rijen één te maken op iets anders dan het Boek van Allāh en de Soennah van Zijn Boodschapper (). Het is dus aan hen om dit geweldige middel aan te grijpen dat leidt tot gelukzaligheid in deze wereld en het hiernamaals. En [het is aan hen] om uit de buurt te blijven van alles wat daar tegenstrijdig aan is van verdeeldheid en het verschillen met elkaar — wat de oorzaak is van ellende en vernedering (voor de moslims) in deze wereld en het hiernamaals.

En ik adviseer de Salafi’s onder hen — die zich onderscheiden door hun vasthouden aan het Boek van Allāh en de Soennah en het oproepen daartoe — dat zij hun inspanningen vermeerderen om de toestand van de moslims te hervormen: op het gebied van geloofsleer, aanbidding, politiek, economie, samenleving en andere aspecten van het leven van de moslims, die allemaal gebaseerd moeten zijn op het Boek van Allah en de Soennah van Zijn Boodschapper (), en dat zij (de Salafi’s) dit duidelijk maken aan alle moslims en hun goede intenties en doelen zichtbaar maken — dat zij niets dan goeds wensen voor deze oemmah (gemeenschap), al het goede — en dat zij enkel het kwaad en de ellende willen wegnemen die deze oemmah hebben getroffen als gevolg van het verlaten van het vasthouden aan het Boek van Allāh en de Soennah.

En ik adviseer de studenten van kennis en geleerden, uit alle uithoeken van de wereld, om Allāh te vrezen in hun verantwoordelijkheid tegenover deze oemmah en dat zij er alles aan doen om deze oemmah terug te laten keren naar het Boek van Allāh en de Soennah van Zijn Boodschapper () en hetgeen waarop de salaf aṣ-ṣāliḥ (de vrome voorgangers) zich bevonden met betrekking tot geloofsleer alsook aanbidding, politiek, opbouw van eenheid en goed gedrag. En dat zij zo ver mogelijk uit de buurt blijven van valse begeertes en de oorzaken van verdeeldheid, die grote schade hebben toegebracht aan de oemmah. En de tijd is aangebroken (voor de geleerden en studenten) om zich in te spannen deze (eerdergenoemde) nobele doelen te verwezenlijken en dat zij de moslims op afstand houden van alles wat hen stort in zwakte en vernedering. En het latere gedeelte van deze gemeenschap zal niet worden gerectificeerd behalve met hetgeen waarmee de eersten van deze gemeenschap zijn gerectificeerd.

Iedereen moet beseffen dat deze gemeenschap haar voortreffelijkheid boven alle andere gemeenschappen slechts heeft verkregen omdat zij de beste gemeenschap is die voor de mensheid is voortgebracht: zij gebieden het goede, verbieden het slechte en geloven in Allāh. En dat de eerste moslims — de metgezellen en degenen die hen op de beste wijze volgden — deze voortreffelijkheid hebben verworven met de getuigenis van de Boodschapper van Allāh (), die zei:

خَيْرُ أُمَّتِي قَرْنِي ثُمَّ الَّذِينَ يَلُونَهُمْ ثُمَّ الَّذِينَ يَلُونَهُمْ‏‏.‏ ثُمَّ إِنَّ بَعْدَكُمْ قَوْمًا يَشْهَدُونَ وَلاَ يُسْتَشْهَدُونَ، وَيَخُونُونَ وَلاَ يُؤْتَمَنُونَ، وَيَنْذُرُونَ وَلاَ يَفُونَ، وَيَظْهَرُ فِيهِمُ السِّمَنُ

De beste mensen van mijn gemeenschap zijn mijn generatie, vervolgens degenen die hen volgen en vervolgens degenen die hen volgen. Daarna zal er een volk komen die getuigenissen afleggen (en daar lichtzinnig mee omgaan) zonder dat hen wordt gevraagd om te getuigen, die bedriegen en niet te vertrouwen zijn, die een gelofte afleggen maar deze niet nakomen, en overgewicht zal onder hen aanwezig zijn.” (Ṣaḥīḥ al-Boekhārī, 3650 – ḥadīth van ‘Imrān ibn Hoṣayn)

Ook heeft hij () gezegd:

يَذْهَبُ الصَّالِحُونَ الأَوَّلُ فَالأَوَّلُ، وَيَبْقَى حُفَالَةٌ كَحُفَالَةِ الشَّعِيرِ أَوِ التَّمْرِ، لاَ يُبَالِيهِمُ اللَّهُ بَالَةً

De vromen zullen een voor een heen gaan, en de nutteloze mensen zullen achterblijven net zoals de overblijfselen van gerst en dadels — Allāh hecht geen waarde aan hen.” (Ṣaḥīḥ al-Boekhārī, 6434 – ḥadīth van Mirdās ibn Mālik al-Aslamī)

Het is dus aan de dragers van kennis om oprecht te zijn jegens Allāh, Zijn Boek, Zijn Boodschapper, de gelovigen en zowel de gewone als de vooraanstaande moslims. Zij moeten hen oprecht adviseren opdat Allāh () de moslims redt van deze staat van zwakte en minderwaardigheid. Want de enige reden voor deze toestand is dat velen van hen zijn afgeweken van het vasthouden aan het Boek van Allāh, en van het oordelen volgens [het Boek van] Allāh en [de Soennah van] Zijn Boodschapper (). Als zij dit oprecht en serieus verkondigen, dan zal er daarmee veel goeds voor deze oemmah worden verwezenlijkt.

We vragen Allāh () dat Hij dit werkelijkheid laat worden en de moslims weghoudt van alle oorzaken van vernedering en zwakte — zoals verdeeldheid, afgunst, haat, vijandigheid — waarvan iedereen die het goede voor deze oemmah wenst, de sporen en gevolgen kan waarnemen.

Gedicteerd door Rabī‘ ibn Hādī al-Madkhalī op de avond van donderdag 25 Dhoel-Ḥijjah in het jaar 1420h.

Geschreven door zijn student Khālid ibn aḥwī ah-hafīrī, en hij droeg mij op het overal te verspreiden — in kranten en elders.


Bron: https://rabee.net/9155-2/

Aantal keer bekeken: 271
Heeft u een fout ontdekt in het artikel? Contacteer ons via contact@islamkennis.nl