Het verbod op gierigheid en hebzucht, en de aansporing tot vrijgevigheid

Leestijd: 5 min

 

[Hoofdstuk: het verbod op gierigheid (bukhl) en hebzucht (shuḥḥ)]

Allāh (de Verhevene) zegt: {Maar wat hem betreft die gierig is en meent zelfvoorzienend te zijn, en de goede beloning loochent, Wij zullen voor hem de weg naar ellende en ongeluk vergemakkelijken, en zijn bezit (waarmee hij gierig was) zal hem niets baten wanneer hij (in het Vuur) neerstort.} (Sūrat al-Layl (92): 8–11)

En Hij (de Verhevene) zegt: {En wie behoed wordt voor de hebzucht van zijn eigen ziel, zij zijn degenen die zullen slagen.} (Sūrat at-Taghābun (64): 16)

Overgeleverd door Djābir (moge Allāh tevreden met hem zijn): De Boodschapper van Allāh () zei: “Weest op uw hoede voor onrecht, want onrecht zal duisternissen zijn op de Dag der Opstanding. En weest op uw hoede voor hebzucht, want hebzucht heeft degenen vóór jullie te gronde gericht; het dreef hen ertoe elkaars bloed te vergieten en de verboden zaken van Allāh voor toegestaan te verklaren.” (Overgeleverd door Muslim)

[Hoofdstuk: onzelfzuchtigheid (īthār) en mededeelzaamheid (muwāsāh)]

Allāh (de Verhevene) zegt: {En zij geven (anderen) de voorkeur boven zichzelf, ook al verkeren zij zelf in behoeftigheid.} (Sūrat al-Ḥashr (59): 9)

En Hij (de Verhevene) zegt: {En zij geven voedsel, ondanks hun eigen verlangen ernaar, aan een behoeftige, een wees en een gevangene.} (Sūrat al-Insān (76): 8) — en de verzen daarna.

Overgeleverd door Abū Hurayrah (moge Allāh tevreden met hem zijn): Een man kwam naar de Profeet () en zei: “Ik lijd honger.” De Profeet () stuurde een boodschap naar een van zijn vrouwen. Zij antwoordde: “Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, ik heb niets behalve water.” Hij zond vervolgens een boodschap naar een andere vrouw, en zij gaf hetzelfde antwoord. Zo antwoordden al zijn vrouwen: “Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, wij hebben niets behalve water.”

Toen zei de Profeet (): “Wie wil deze man vannacht als gast ontvangen?” Een man uit de Anṣār zei: “Ik, O Boodschapper van Allāh.” Hij nam de gast mee naar zijn huis en zei tegen zijn vrouw: “Eer de gast van de Boodschapper van Allāh ().” In een andere overlevering zei hij tegen zijn vrouw: “Heb je iets (te eten)?” Zij zei: Alleen het eten van onze kinderen.” Hij zei tegen haar: “Bezig de kinderen met iets, en als zij om avondeten vragen, laat ze dan slapen. Wanneer onze gast binnenkomt, doof dan het licht en laat het lijken alsof wij met hem eten.” Ze gingen zitten en de gast at, terwijl zij zelf hongerig de nacht doorbrachten. Toen de ochtend aanbrak, ging hij naar de Profeet , die zei: “Allah heeft Zich verbaasd over wat jullie deze nacht hebben gedaan met jullie gast.” (Al-Bukhārī & Moeslim)

Overgeleverd door Abū Hurayrah (moge Allāh tevreden met hem zijn): De Boodschapper van Allāh () zei: “Het eten van twee mensen is genoeg voor drie, en het eten van drie is genoeg voor vier.” (Al-Bukhārī & Moeslim)

In een overlevering van Moeslim, overgeleverd door Djābir (moge Allāh tevreden met hem zijn), zei de Profeet (): “Het eten van één persoon is genoeg voor twee, het eten van twee is genoeg voor vier, en het eten van vier is genoeg voor acht.”


Shaykh Ibn Bāz zei in zijn commentaar op bovenstaande hoofdstukken uit Riyāḍ aṣ-Ṣāliḥīn:

In de naam van Allāh, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle. Alle lof zij aan Allāh, en moge Allāh vrede en zegeningen schenken aan de Boodschapper van Allāh, zijn familie, zijn metgezellen en allen die zijn leiding volgen. Voorts:

Deze verzen en overleveringen wijzen op de deugd van vrijgevigheid, edelmoedigheid en het uitgeven (van liefdadigheid), en waarschuwen tegen hebzucht en gierigheid.

Allāh (de Verhevene) zegt: {En wie gierig is: voorwaar, hij is slechts gierig ten nadele van zichzelf.} (Sūrat Moḥammad (47): 38)

Daarom behoort de gelovige zich te hoeden voor hebzucht. En Allāh (de Verhevene) zegt: {En wie behoed wordt voor de hebzucht van zijn eigen ziel, zij zijn degenen die zullen slagen.} (Sūrat al-Ḥashr (59): 9)

Het uitgeven, weldoen, vrijgevigheid en edelmoedigheid zijn eigenschappen van de rechtschapenen. De gelovige hoort dus een hoge ambitie te hebben.

De Profeet zei: Weest op uw hoede voor hebzucht, want hebzucht heeft degenen vóór jullie te gronde gericht; het dreef hen ertoe elkaars bloed te vergieten en de verboden zaken van Allāh voor toegestaan te verklaren.”

Daarom is het voorgeschreven voor de gelovige om gierigheid te vermijden en vrijgevig te zijn met wat Allāh hem heeft geschonken — tegenover de arme, de behoeftige, de bedelaar en de verwant — terwijl hij op de beloning van Allāh hoopt.

Evenzo geldt het onzelfzuchtig voorrang geven aan anderen boven zichzelf en zijn gezin. Allāh (de Verhevene) zegt over de Anṣār: {En zij geven (anderen) de voorkeur boven zichzelf, ook al verkeren zij zelf in behoeftigheid.} (Sūrat al-Ḥashr (59): 9)

En Hij zegt over de rechtschapenen: {En zij geven voedsel, ondanks hun eigen verlangen ernaar, aan een behoeftige, een wees en een gevangene, (zeggende:) “Wij voeden jullie slechts omwille van Allāh’s Aangezicht; wij verlangen van jullie geen beloning en geen dank.”} (Sūrat al-Insān (76): 8–9)

En Hij zegt: {Jullie zullen al-Birr (vroomheid, rechtschapenheid — hier betekent het Allāh’s beloning; het Paradijs) niet bereiken totdat jullie uitgeven van datgene wat jullie liefhebben.} (Sūrat Āli ‘Imrān (3): 92)

Toen Abū Ṭalḥah dit vers hoorde, zei hij: “O Boodschapper van Allāh, de meest geliefde van mijn bezittingen is (de tuin van) Bayruḥā’, en ik geef het als liefdadigheid aan Allāh, hopend op de zegen en de beloning ervan bij Allāh.” De Profeet zei: “Uitstekend, uitstekend! Geef het aan je naaste verwanten.” Daarop verdeelde Abū Ṭalḥah het onder zijn naaste verwanten.

Er kwam eens een behoeftige man naar de Profeet die honger leed. De Profeet liet navraag doen bij zijn vrouwen, maar elk van hen zei: “Ik heb niets behalve water.” Zij hadden dus niets om hem te voeden — geen dadels, geen vlees, niets. De huizen van de Profeet maakten soms nachten mee waarin zij niets hadden behalve water; geen dadels, geen melk, geen vlees en geen brood.

Dit toont aan dat een gelovige niet ontmoedigd moet raken wanneer hij moeite of ontbering ervaart, want ook de besten vóór hem hebben dat meegemaakt. Hij moet zich inspannen voor een ḥalāl inkomen en blijven uitgeven op de weg van Allah, zelfs als hij soms moeilijke nachten doormaakt.

In de tweede overlevering kwam een arme man naar de Profeet . De Profeet zei tegen zijn metgezellen: “Wie wil hem als gast ontvangen?” Een man van de Anṣār nam hem mee naar huis en zei tegen zijn vrouw: “Heb je iets (te eten)?” Zij zei: “Alleen het eten van de kinderen.” Hij zei: “Laat de kinderen slapen, bereid het eten voor de gast, en wanneer het eten wordt opgediend, doof het licht zodat hij denkt dat wij met hem eten.” Zo zal hij zich niet schamen en genoeg eten.

De gast at, terwijl het echtpaar die nacht met een lege maag bleef. De volgende ochtend ging hij naar de Profeet , en de Profeet zei: “Allah heeft Zich verbaasd over wat jullie deze nacht hebben gedaan met jullie gast.”

Het punt is dat de gelovige anderen — zoals de gast, de arme en de behoeftige — boven zichzelf verkiest. Want als hij zichzelf één of twee nachten iets ontzegt om vrijgevig en edelmoedig te zijn tegenover iemand in nood, schaadt dat hem niet.

En (zoals in een overlevering staat): “De beste liefdadigheid is die waarbij de gever, na het geven, nog steeds genoeg overhoudt om in zijn eigen basisbehoeften (en die van zijn gezin) te voorzien. Maar incidenteel is er geen bezwaar tegen als iemand zijn gezin of kinderen één of enkele nachten of dagen iets onthoudt omwille van een behoeftige persoon; daar is niets verkeerd aan.

De Profeet zei ook: “Het eten van twee mensen is genoeg voor drie,” en in een andere overlevering: “Het eten van twee is genoeg voor vier, en dat van vier is genoeg voor acht.” Dit betekent: wees niet gierig. Als het eten is bereid voor vier personen en er komen gasten — zelfs acht — dan is dat geen probleem. Allāh zal er zegen (barakah) in plaatsen.

Het eten van één persoon is genoeg voor twee, dat van twee voor vier, dat van vier voor acht — en zo verder: dat van acht is genoeg voor zestien. Met andere woorden: als gasten onverwacht komen, wees dan niet gierig door te zeggen: “Dit eten was maar voor vier personen.” Dien het gewoon op, ook al zijn ze met vijftig of zestig; Allāh zal er zegen (barakah) in plaatsen zodat iedereen ervan kan eten.


Bron: binbaz.org.sa

Tags:
Aantal keer bekeken: 154
Heeft u een fout ontdekt in het artikel? Contacteer ons via contact@islamkennis.nl