Druk op Ctrl+P om af te drukken
of op te slaan als PDF

Voorschriften van het vegen over de sokken, gips, pleisters, enz

De grote geleerde Shaykh Ṣāliḥ al-Fawzān zei in zijn boek “al-Moelakhaṣ al-Fiqhī”:

[Hoofdstuk: de voorschriften van het vegen over de leren sokken en andere bedekkingen]

Onze religie is een religie van gemak, geen religie van moeilijkheid en ongemak. Voor elke omstandigheid reikt onze religie passende regels aan, zodat het welzijn wordt bereikt en de moeilijkheid verdwijnt. Een voorbeeld hiervan is de regelgeving die Allāh heeft ingesteld bij de wodoe’: wanneer zich op (een deel van) de ledematen die normaliter gewassen moeten worden een bedekking bevindt die moeilijk te verwijderen is en die noodzakelijkerwijs moet blijven zitten—zoals sokken en dergelijke ter bescherming van de voeten, een tulband (‘imāmah) ter bescherming van het hoofd, of een verband, spalk of gips ter bescherming van een wond—dan heeft de Wetgever de verrichter van de wodoe’ vergunning (rokhṣah) gegeven om over deze bedekking te vegen en daarmee te volstaan in plaats van haar uit te doen en de huid eronder te wassen. Zo verlicht Hij () Zijn dienaren en verwijdert Hij ongemak van hen.

Wat het vegen betreft over de khoeffs (leren sokken) – of over hun equivalent, zoals (wollen of katoenen) sokken – en het daarmee volstaan in plaats van de voeten te wassen: dit is bevestigd door authentieke, talrijke en moetawātir overleveringen. Deze overleveringen berichten dat de Boodschapper van Allāh , zowel tijdens verblijf als op reis, hierover veegde, het heeft bevolen en er concessie (rokhṣah) voor verleende.

Al-Ḥasan (al-Baṣrī) zei:

“Zeventig van de metgezellen van de Boodschapper van Allāh hebben mij verteld dat hij over de leren sokken veegde.”

En Imām an-Nawawī zei:

“Het bericht over het vegen over de leren sokken is door zóveel metgezellen overgeleverd dat hun aantal niet te tellen is.”

Imām Aḥmed verklaarde:

“Ik koester geen enkele twijfel over het vegen; er zijn veertig overleveringen van de Profeet hierover.”

Ibn al-Moebārak en anderen zeiden:

“Onder de metgezellen bestaat er geen enkel meningsverschil over het vegen over de khoeffs; het is toegestaan.”

Ibn al-Moendhir en anderen vermeldden de consensus van de geleerden dat het [vegen] toegestaan is, en Ahl as-Soennah wa-l-Djamā‘ah zijn daar unaniem over, in tegenstelling tot de innoveerders die de toelaatbaarheid ontkennen.

Het oordeel omtrent het vegen over de khoeffs (leren sokken):

Het vegen over de khoeffs geldt als een rokhṣah (vergunning). Het benutten van deze vergunning is zelfs beter dan de sokken uittrekken en de voeten wassen, omdat men dan gebruik maakt van Allāh’s vergunning, de Profeet volgt en verschilt van de innoveerders. Het vegen heft ook effectief de staat van onreinheid op van wat zich onder het geveegde bevindt. De Profeet forceerde nooit een andere situatie dan de bestaande:

  • Waren zijn voeten in leren sokken, dan veegde hij erover.

  • Waren zijn voeten onbedekt, dan waste hij ze.

Het is dus niet voorgeschreven om eerst sokken aan te trekken alleen maar om er daarna over te kunnen vegen.

Tijdsduur van het vegen:
  • Voor een verblijvende (niet-reizende) persoon – en voor een reiziger wiens reis het inkorten van het gebed niet toestaat – is de toegestane duur één etmaal (24 uur).

  • Voor een reiziger met een afstand die het verkorten van het gebed wél toestaat, is de duur drie etmalen (72 uur).

Dit baseert zich op de overlevering bij Moeslim waarin staat dat de Profeet voor de reiziger [de periode van] drie dagen en hun nachten vaststelde, en voor de verblijvende (niet-reiziger) één dag en één nacht.

Aanvang van de veegtermijn:

De veegtermijn (voor zowel de reiziger als niet-reiziger) begint te tellen vanaf het moment dat de adath (toestand die de wodoe’ verbreekt) optreedt nadat men de sokken heeft aangetrokken, want de adath maakt wodoe’ verplicht en vanaf dat moment wordt het vegen toegestaan. Een aantal geleerden meent dat de termijn pas begint bij de eerste veegbeurt na het optreden van de adath.

Voorwaarden voor het vegen over de leren sokken en vergelijkbare bedekkingen:
  1. Aangetrokken in staat van reinheid (ṭahārah)
    Het is voor het vegen over de khoeffs of hun equivalent – zoals sokken – vereist dat men ze heeft aangetrokken terwijl men ritueel rein was, dus vrij van een de toestand van onreinheid. In de twee Ṣaḥīḥs is overgeleverd dat de Profeet , toen iemand tijdens de wodoe’ zijn khoeffs wilde uittrekken, zei: “Laat ze; ik heb ze aangetrokken terwijl ik rein was.” In een andere overlevering staat: “Ons is opgedragen over de khoeffs te vegen wanneer wij ze hebben aangedaan in staat van reinheid.” Deze teksten maken duidelijk dat rituele reinheid bij het aantrekken een voorwaarde is; trekt men de sokken aan terwijl men al in een staat van onreinheid (ḥadath) verkeert, dan is het niet toegestaan er later over te vegen.

  2. De khoeff (of zijn equivalent zoals de sok) moet toegelaten (moebāḥ) zijn.
    Is het onrechtmatig verkregen (bijv. gestolen) of, in het geval van een man, van zijde vervaardigd, dan is het vegen erover niet toegestaan; een verboden voorwerp verschaft immers geen recht op een religieuze vergunning (rokhṣah).
  1. De khoeff (of zijn equivalent zoals de sok) moet de hele voet bedekken.
    Men mag er niet over vegen als het niet volledig bedekt wat in de wodoe’ gewassen moet worden: bijvoorbeeld wanneer de sok onder de enkel eindigt, óf wel tot over de enkel reikt maar de voet niet werkelijk bedekt doordat het doorschijnend of te dun is—zoals een niet-dichte, dunne sok. Over dergelijke bedekkingen is het vegen niet toegelaten wegens het ontbreken van voldoende bedekking.

Men mag ook vegen over alles wat de plaats van de khoeffs (leren sokken) inneemt. Zo is het toegestaan om te vegen over een dikke, ondoorzichtige sok die de voet volledig bedekt, of die nu van wol is gemaakt of van een ander materiaal. De reden is dat de Profeet heeft geveegd over sokken en sandalen; dit is overgeleverd door Aḥmed e.a. en als authentiek verklaard door at-Tirmidhī.

Over zo’n sok mag men blijven vegen totdat de toegestane termijn volledig is verstreken. Dit geldt echter niet voor iets wat men er dán nog óverheen aantrekt, zoals een extra leren sok of sandaal; daarover wordt niet geveegd. Het herhaaldelijk uittrekken en weer aantrekken van dat bovenste schoeisel heeft geen invloed, zolang men met het vegen juist over de sok zelf is begonnen.

Het vegen over de tulband:

Het is toegestaan om over een tulband (imāmah) te vegen, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan:

  1. Volledige bedekking
    De tulband moet het deel van het hoofd bedekken dat men normaal gesproken niet onbedekt laat.

  2. Typische wijze van wikkelen

    • Zij is muḥannakah: er loopt ten minste één wending onder de kin,
      of

    • zij heeft een dhoe’ābah: een uiteinde dat los over de achterkant hangt.

Het vegen over de tulband is bevestigd in meerdere overleveringen van de Profeet die door verscheidene imāms zijn overgeleverd.

Beperking tot kleine rituele onreinheid (ḥadath aṣghar):

Het vegen over zowel de khoeffs (of sokken) als de tulband is uitsluitend toegestaan als men gereinigd is van de staat van kleine rituele onreinheid (ḥadath aṣghar). Bij grote rituele onreinheid (ḥadath akbar) mag men over geen van beide vegen; dan moet men wat eronder zit volledig wassen.

Het vegen over verbanden, gips, pleisters, etc:

Men mag ook vegen over een djabīrah – een spalk, gipsverband of soortgelijke versteviging die om een botbreuk is gebonden – evenals over een verband op een wond en over een pleister die op zweren of wonden is aangebracht. Dit is toegestaan mits de bedekking niet groter is dan noodzakelijk: zij mag alleen de breuk of wond en het directe gebied eromheen beslaan dat bedekt móét worden om haar functie te vervullen. Reikt zij verder dan nodig is, dan moet het overtollige deel worden verwijderd.

Het vegen over de djabīrah en vergelijkbare bedekkingen is toegestaan bij zowel kleine als grote rituele onreinheid. Er is geen vaste tijdslimiet: men blijft erover vegen totdat de bedekking wordt afgedaan of het onderliggende deel genezen is. Want het vegen erover is toegestaan vanwege noodzaak, en noodzaak wordt beperkt tot wat strikt nodig is.

Het bewijs voor het vegen over een djabīrah is de overlevering van Djābir (moge Allāh tevreden zijn met hem), die vertelde:

“Wij waren op reis toen een van ons door een steen werd geraakt; hij liep een hoofdwond op. Later kreeg hij een natte droom. Hij vroeg zijn metgezellen: ‘Vinden jullie voor mij een vergunning om tayammoem te doen?’ Zij antwoordden: ‘Wij zien voor jou geen vergunning, omdat jij water kunt gebruiken.’ Daarop verrichtte hij de ghoesl en stierf.

Toen wij bij de Boodschapper van Allāh kwamen en hem dit vertelden, zei hij:
‘Zij hebben hem gedood—moge Allāh hen doden! Waarom vroegen zij niet, als zij het niet wisten? Want het geneesmiddel voor onwetendheid is vragen. Het had voor hem volstaan om tayammoem te verrichten, een doek om zijn wond te binden en daarover te vegen.’(Overgeleverd door Aboe Dāwoed en Ibn djah; authentiek verklaard door Ibn as-Sakan)
Plaats(en) van het vegen over deze bedekkingen
  • Men veegt over de bovenzijde van de leren sok of gewone sok.

  • Van de tulband veegt men het grootste deelspecifiek de omwikkelingen ervan.

  • De djabīrah (spalk, gips, verband) wordt volledig geveegd.

Wijze van het vegen over de (leren) sokken

Hij bevochtigt zijn vingers met water, plaatst ze op de tenen van elke voet en strijkt ze vervolgens in één beweging naar boven tot aan het scheenbeen:

  • De rechtervoet wordt met de rechterhand geveegd.

  • De linkervoet wordt met de linkerhand geveegd.

Hij spreidt zijn vingers tijdens het strijken en herhaalt de veeg niet.

Moge Allāh ons allen leiden tot nuttige kennis en rechtschapen daden.


Bron: Al-Moelakhaṣ al-Fiqhī van Shaykh al-Fawzān, deel 1, blz. 53 (link) (Tags: khuff, khoeff, kousen, wudu, woedoe, wodoo, wudoo, ablutie, wassing, pleister, verband, wonde, gewond, gips, breuk, gebroken, al-mulakhas al-fiqhi, al-mulagas)