Tawassul en Wasīlah: de toegestane en verboden vormen

Leestijd: 13 min

Vraagsteller:

Kunt u ons a.u.b. vertellen over tawassul (het zoeken van toenadering tot Allāh) en al-wasīlah (het middel waarmee toenadering wordt gezocht tot Allāh). Leg ons de misverstanden hierover uit en geef de juiste weerleggingen, vooral omdat sommigen als bewijs het vers gebruiken: {zoek een wasīlah om tot Hem te naderen…} [5:35]. Zij gebruiken ook als bewijs de tawassul via al-Abbās (moge Allāh tevreden met hem zijn). Wat is het verschil tussen tawassul via de profeten en de vromen enerzijds, en tawassul via goede daden anderzijds? Moge Allāh u rijkelijk belonen.

Antwoord van Shaykh ‘Abdel-‘Azīz ibn Bāz:

In de naam van Allāh, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle. Alle lof zij aan Allāh, en moge Allāh zegeningen en vrede schenken aan de Boodschapper van Allāh, zijn familie, zijn metgezellen en allen die zijn leiding volgen. Voorts:

Deze vraag is belangrijk en verdient aandacht, omdat dit onderwerp voor veel mensen verwarrend is. Al-wasīlah (het middel waarmee toenadering wordt gezocht tot Allāh) kent twee soorten: (1) een toegestane, wettige en voorgeschreven wasīlah, en (2) een verboden wasīlah.

De wettige wasīlah is het zoeken van nabijheid tot Allāh door middel van geloof, goede daden en alles wat Allāh () heeft voorgeschreven. Dit is wat bedoeld wordt in Zijn Uitspraak: {O jullie die geloven, vreest Allāh en zoek een wasīlah om tot Hem te naderen…} [5:35], wat betekent: zoek nabijheid tot Hem zoeken door Hem te gehoorzamen, zoals door het gebed, het vasten, liefdadigheid, de bedevaart, en het zuiver maken van de aanbidding voor Allāh alleen, en soortgelijke daden.

En Zijn () Uitspraak: {Zeg: “Roept degenen die jullie naast Allāh als god veronderstellen maar aan..} [17:56] dit betekent: degenen naast Allāh — afgoden, bomen, stenen, profeten en anderen — {… zij zijn niet bij machte het kwade bij jullie te verwijderen of het te veranderen.”} [17:56] Dat wil zeggen: de aangeroepenen hebben geen macht om degene die hen aanroept te bevrijden van ziekte, waanzin of iets anders, noch om zijn toestand te veranderen van moeilijkheid naar gemak of van het ene deel van het lichaam naar het andere. Zij zijn daartoe niet in staat; het ligt alleen in de Hand van Allāh ().

Vervolgens zei Hij: {Zij die zij aanroepen…} [17:57] — dat wil zeggen: degenen die de polytheïsten aanroepen, zoals profeten, vromen of engelen — {… zoeken zelf de wasīlah om tot hun Heer te naderen} [17:57], oftewel: zij zoeken zelf nabijheid tot Allāh door Hem te gehoorzamen, met gebed, vasten, liefdadigheid en andere daden van aanbidding. {En zij hopen op Zijn barmhartigheid} [17:57]; daarom handelen zij en streven zij naar gehoorzaamheid aan Hem, en {zij vrezen Zijn bestraffing} [17:57].

Deze wasīlah betekent het vervullen van Allāh’s recht door het realiseren van Zijn Tawḥīd en gehoorzaamheid — door het uitvoeren van Zijn geboden en het nalaten van Zijn verboden. Het is geloof, leiding en godsvrucht (taqwā); datgene waarmee Allāh Zijn Boodschappers (vrede en zegeningen zij met hen) heeft gestuurd — in woord en daad.

Deze wasīlah is verplicht als het gaat om verplichte daden, en aanbevolen als het gaat om aanbevolen daden. Het zoeken van nabijheid tot Allāh door het realiseren van Zijn Tawḥīd, het hebben van een zuivere intentie voor Hem, het verrichten van het gebed, het geven van de zakāt, het vasten in Ramaḍān en het verrichten van de ḥajj naar het Huis — dit zijn allemaal verplichte zaken, en de ḥajj is een plicht die minstens één keer in het leven moet worden vervuld. Evenzo is het zoeken van nabijheid tot Hem door het vermijden van zonden verplicht.

Het zoeken van nabijheid tot Hem door vrijwillige daden, zoals extra gebeden, vrijwillig vasten, vrijwillige liefdadigheid en veelvuldig gedenken van Allāh, is aanbevolen. Dit zijn daden van toenadering en gehoorzaamheid, en Allāh heeft ze gemaakt tot oorzaken van toegang tot het Paradijs en redding van het Hellevuur.

De andere vorm van wasīlah die niet is toegestaan, is het zoeken van nabijheid tot Allāh door het aanroepen van de doden of het vragen om hulp aan de doden. Deze vorm van wasīlah is polytheïstisch (shirkiyyah); de polytheïsten noemen dit een wasīlah, maar in werkelijkheid is het grote shirk (shirk akbar). Dit is wat bedoeld wordt in Allāh’s uitspraak: {En zij aanbidden naast Allāh wat hen geen kwaad noch voordeel brengt en zij zeggen: “Zij zijn onze bemiddelaars bij Allāh.”} [10:18].

En Allāh zei ook: {En degenen die naast Hem awliyā’ (helpers, beschermers, afgoden) nemen [zeggen]: “Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons dichter bij Allāh brengen.”} [39:3]. Dat wil zeggen: zij (de polytheïsten) zeiden: “Wij aanbidden hen alleen om ons dichter tot Allāh te brengen.” Zij namen hen dus als wasīlah in deze betekenis — door hen aan te roepen (du‘ā’), hun voorspraak (bemiddeling) te vragen, hulp bij hen te zoeken tegen vijanden, genezing van zieken te vragen en dergelijke. Zij beweerden dat dit een wasīlah (tot Allāh) was. Dit is echter grote shirk en de religie van de polytheïsten. Wij vragen Allāh om bescherming.

De polytheïsten beweren dat hun aanbidding van profeten, engelen, vromen en djinn een wasīlah is om hun doelen te bereiken, en zij beweren dat deze wezens — die zij aanbidden — voor hen bij Allāh zullen bemiddelen en hen dichter tot Hem zullen brengen. Maar Allāh heeft deze bewering ongeldig verklaard en hen hierin leugenaars genoemd.

Allāh zegt over hen: {Zeg: “Willen jullie Allāh inlichten over iets dat Hij niet kent in de hemelen en niet op de aarde?” Verheerlijkt en Ver Verheven is Hij boven wat zij aan Hem toekennen aan deelgenoten.} [10:18], nadat Hij () zei: {En zij aanbidden naast Allāh wat hen geen kwaad noch voordeel brengt en zij zeggen: “Zij zijn onze bemiddelaars bij Allāh.”} [10:18].

Allāh weerlegde hun bewering met Zijn Woorden: {Zeg: “Willen jullie Allāh inlichten over iets dat Hij niet kent in de hemelen en niet op de aarde?”} — oftewel: denken jullie dat jullie Allāh kunnen vertellen over iets dat Hij niet kent in de hemelen of op de aarde? {Verheerlijkt en Ver Verheven is Hij boven wat zij aan Hem toekennen aan deelgenoten.} [10:18].

En Allāh zegt in Soerat az-Zoemar: {Aanbid Allāh dus met zuivere toewijding in de godsdienst. Weet dat aan Allāh de zuivere godsdienst toebehoort! En degenen die naast Hem awliyā’ (helpers, beschermers, afgoden) nemen [zeggen]: “Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons dichter bij Allāh brengen.”} [39:2–3].

Allāh verklaarde hen leugenaars met Zijn Uitspraak: {Voorwaar, Allāh zal tussen hen oordelen over datgene waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allāh leidt niet wie een leugenaar en een ongelovige is.} [39:3].

Zo noemde Hij hen leugenaars in hun bewering dat diegenen [die zij aanroepen naast Hem] hen dichter tot Allāh zouden brengen, en Hij noemde hen ongelovigen vanwege deze daad — door hen aan te roepen, hun hulp te zoeken, geloften voor hen af te leggen, dieren voor hen te slachten en soortgelijke handelingen te verrichten.

Het is daarom verplicht voor alle mensen om zich te hoeden voor deze [verboden] vorm van wasīlah. Dit geldt zowel voor wie religieus verantwoordelijk (mukallaf) is, als voor wie dat niet is. De religieus verantwoordelijke persoon moet zich hoeden ervoor, en hij moet ook degenen onder zijn zorg die niet religieus verantwoordelijk zijn, zoals zijn kinderen, ervoor waarschuwen het niet te doen. Want Allāh alleen is Degene die aanbeden wordt; Hij is Degene Die men aanroept (met du‘ā’), van wie men hoopt, en tot wie men zich wendt voor overwinning op vijanden, genezing van zieken en al de andere behoeften van de dienaren.

Allāh () zegt in Zijn Verheven Boek: {Ik heb de djinn en de mensen slechts geschapen om Mij te aanbidden. Ik verlang van hen geen voorziening, en Ik wil niet dat zij Mij voeden. Voorwaar, Allāh is de Voorziener, de Bezitter van sterke kracht.} [51:56–58] En Hij zegt, Verheven is Hij: {O mensen, aanbid jullie Heer, Die jullie en degenen vóór jullie heeft geschapen, opdat jullie godsvrezend zullen zijn.} [2:21]

En Allāh zegt over Zijn Profeet : {Zeg (O Profeet): “Ik beschik niet voor mijzelf over voordeel noch over nadeel, behalve wat Allāh wil. En als ik het onwaarneembare kende, zou ik veel goeds hebben verworven en geen kwaad zou mij hebben geraakt. Ik ben slechts een waarschuwer en een verkondiger van blijde tijdingen voor een volk dat gelooft.”} [7:188]. Hij is dus een waarschuwer en een verkondiger van blijde tijdingen — niet iemand die aanbeden wordt naast Allāh, en niet een god naast Allāh ().

En Allāh () zegt: {En dat de moskeeën alleen aan Allāh toebehoren, roep daarom niemand aan naast Allāh. En toen de dienaar van Allāh (Mohammed ) opstond om tot Hem te bidden, verdrongen zij (de djinns) zich bijna om hem heen. Zeg (O Profeet): “Voorwaar, ik roep slechts mijn Heer aan, en ik ken niets of niemand als deelgenoot toe aan Hem.” Zeg: “Voorwaar, ik beschik niet voor jullie over kwaad noch over leiding.” Zeg: “Voorwaar, niemand kan mij tegen [de bestraffing van] Allāh beschermen, en ik zal buiten Hem geen toevlucht vinden. [Mijn taak is niets anders dan] het overbrengen (van de waarheid) van Allāh en Zijn Boodschappen (van het islamitisch monotheïsme).”} [72:18–23].

Al deze zaken liggen in Allāh’s Hand (). Alleen Allāh bezit de macht over nut en schade, over geven en onthouden, over genezing van ziekten en over overwinning op vijanden — alles ligt in Zijn Hand ().

Er is nog een tweede soort van verboden wasīlah: het zoeken van nabijheid tot Allāh door middel van iemands status of recht, zoals wanneer iemand zegt: “O Allāh, ik vraag U bij de status (of eer) van Moammed,” of “bij de status van die-en-die,” of “bij het recht van Uw profeten.” Dit is niet toegestaan. Deze vorm is een innovatie (bidah) waarvoor geen bewijs bestaat. Het is geen grote shirk, maar behoort tot de middelen die tot shirk kunnen leiden. Allāh zegt: {En aan Allāh behoren de Schone (Perfecte) Namen toe, roept Hem dus daarmee aan.} [7:180]. Men dient Hem dus aan te roepen met Zijn Namen en Eigenschappen.

Op dezelfde manier kan men nabijheid tot Allāh zoeken door middel van goede daden, zoals het gebed, het vasten, goedheid jegens de ouders, het onderhouden van familiebanden en het zich onthouden van immoraliteit. Dit zijn wettige middelen (wasā’il shariyyah), zoals blijkt uit het verhaal van de mannen van de grot:

Drie mannen zochten ’s nachts en tijdens regen beschutting in een grot. Een rots viel echter voor de ingang en sloot hen af. Zij zeiden toen tegen elkaar: “Niets zal jullie van dit gevaar redden behalve dat jullie Allāh aanroepen met jullie oprechte daden.” Dus riepen zij Allāh aan door hun goede daden.

De eerste van hen riep Allāh aan en deed een beroep op zijn goedheid jegens zijn ouders, de tweede zocht toenadering tot Allāh door zijn kuisheid — dat hij afzag van overspel ondanks dat hij daartoe in staat was — en de derde zocht toenadering tot Allāh door zijn eerlijkheid in het terugbetalen van het loon aan een arbeider, waarbij hij het had bewaard en vermeerderd tot een grote rijkdom, die hij later volledig aan hem teruggaf. Toen zij dit deden, bewoog de rots zich van de ingang af dankzij deze oprechte, praktische vormen van tawassul.

De eerste man bad tot zijn Heer en noemde zijn goedheid jegens zijn ouders. Hij had twee bejaarde ouders, en hij placht nooit zijn gezin of zijn dienaren iets te laten drinken vóór hen. Op een nacht was hij ver van huis gegaan om hout te verzamelen en kwam hij laat terug. Toen hij met hun avonddrank kwam, trof hij hen slapend aan. Hij bleef met de beker in zijn hand staan wachten tot zij wakker werden. Hij liet zijn gezin en kinderen niet drinken, en hij wilde hen ook niet wakker maken om hun slaap niet te verstoren. Hij bleef geduldig wachten tot de dageraad aanbrak. Toen zij wakker werden, gaf hij hun de drank. Vervolgens zei hij in zijn smeekbede: “O Allāh, als U weet dat ik dit slechts heb gedaan verlangend naar Uw Aangezicht, verlos ons dan van wat ons overkomen is.” Toen bewoog de rots zich een beetje, maar nog niet genoeg om te kunnen ontsnappen.

Daarna bad de tweede man en zei dat hij een nicht (dochter van zijn oom) had van wie hij hield met de sterkste liefde waarmee een man een vrouw kan liefhebben. Hij had haar eens tot zonde willen verleiden, maar zij weigerde. Later trof haar een jaar van grote nood, waarop zij naar hem kwam om hulp te vragen. Hij zei tegen haar: “Niet voordat je jezelf aan mij overgeeft.” Vanwege haar benarde situatie stemde zij toe. Toen hij echter met haar alleen was en zij hem herinnerde aan Allāh en hem verbood het verbodene te doen, werd hij bevangen door vrees voor Allāh, liet hij de zonde na en liet hij het goud dat hij haar had gegeven bij haar achter. Vervolgens zei hij in zijn smeekbede: “O Allāh, als U weet dat ik dit slechts heb gedaan verlangend naar Uw Aangezicht, verlos ons dan van wat ons overkomen is.” Hij had dus, hoewel hij daartoe in staat was, de zonde van ontucht verlaten uit vrees voor Allāh. Toen bewoog de rots zich verder, maar nog niet genoeg om te kunnen ontsnappen.

Daarna bad de derde man en zei: “O Allāh, ik had arbeiders in dienst aan wie ik hun loon heb gegeven, behalve één man van wie het loon bij mij achterbleef. Ik gebruikte dat loon en vermeerderde het voor hem; ik kocht er kamelen, koeien, schapen en slaven mee. Na enige tijd kwam die man bij mij en zei: ‘O dienaar van Allāh, geef mij mijn loon.’ Ik zei tegen hem: ‘Al dit vee en deze slaven zijn uit jouw loon voortgekomen, dus het is allemaal van jou.’ Hij zei: ‘O dienaar van Allāh, spot niet met mij!’ Ik antwoordde: ‘Ik spot niet met je, het is werkelijk jouw bezit.’ Daarop nam hij alles mee en vertrok. O Allāh, als U weet dat ik dit slechts heb gedaan verlangend naar Uw aangezicht, verlos ons dan van wat ons overkomen is.” Toen verplaatste de rots zich volledig, en zij kwamen naar buiten lopend.

Dit is een teken van Allāh’s goedheid en genade, Verheven en Almachtig is Hij, en een van Zijn grote tekenen: dat Hij hen bevrijdde en de vallende rots tot een middel maakte waardoor zij Allāh konden aanroepen middels hun goede daden. Zo leert dit mensen de waarde van goede daden en dat zij behoren tot de oorzaken van verlichting uit moeilijkheden en het vergemakkelijken van zaken. Het is daarom de plicht van de dienaar om zich te hoeden voor Allāh’s toorn en de oorzaken van Zijn bestraffing; wanneer hij in staat is tot zonde, moet hij zich ervoor hoeden en ervan wegblijven, en wanneer hij in staat is tot goedheid en weldadigheid, moet hij dat doen.

Wat betreft de tawassul van Umar (moge Allāh tevreden met hem zijn) via al-Abbās: dit was een tawassul door middel van diens smeekbede. Toen de mensen in de tijd van de Profeet te maken kregen met droogte, vroeg de Profeet Allāh om regen, en de mensen kwamen naar hem en zeiden: “O Boodschapper van Allāh, smeek voor ons om regen, want onze bezittingen gaan verloren en de wegen zijn afgesneden,” vanwege de droogte. Daarop smeekte hij Allāh () en Allāh schonk hun regen.

Toen er tijdens het kalifaat van ‘Umar opnieuw droogte heerste, zei hij: “O Allāh, vroeger zochten wij tawassul tot U via onze Profeet toen hij onder ons was, en U gaf ons regen; nu (na de dood van de Profeet) zoeken wij tawassul tot U via de oom van onze Profeet, schenk ons daarom regen. Sta op, o ‘Abbās, en bid tot Allāh voor ons.” Al-‘Abbās stond op, smeekte Allāh en vroeg Hem om regen, en Allāh schonk hun regen.

Al-‘Abbās was de oom van de Profeet . En dit was dus tawassul middels de smeekbede van Al-‘Abbās. Net zoals zij vroeger tawassul zochten middels de smeekbede van de Profeet toen hij nog leefde. Dit toont aan dat men na het overlijden (van de Profeet ) geen hulp of bijstand van hem vraagt, want hij is daartoe niet in staat; zijn daden die met deze wereld te maken hebben, zijn beëindigd. Daarom vroeg ‘Umar (moge Allāh tevreden met hem zijn) aan al-‘Abbās om Allāh te smeken en regen voor de mensen te vragen, waarna al-‘Abbās dit deed en Allāh de mensen met regen zegende.

Op dezelfde manier handelde Mu‘āwiyah (moge Allāh tevreden met hem zijn) in Syrië met Yazīd ibn al-Aswad. Hij vroeg aan deze edele metgezel om Allāh te smeken om regen. Yazīd stond op, bad tot Allāh, en Allāh schonk de mensen regen. Hier is niets mis mee; dit is een toegestane, wettige vorm van het zoeken van hulp (istighāthah shar‘iyyah). Wanneer een leider, een imam of een geleerde, of een vrome persoon zegt: “O die-en-die, bid tot Allāh voor de moslims dat Hij hen regen schenkt,” dan is daar niets verkeerds aan — net zoals ‘Umar dat deed met al-‘Abbās en Mu‘āwiyah met Yazīd ibn al-Aswad.

Op dezelfde manier kan een persoon zeggen: “O Allāh, ik vraag U bij Uw Schone Namen en Verheven Eigenschappen om ons regen te schenken, ons genadig te zijn, regen op ons neer te laten komen en ons te vergeven.” Allāh () zegt: {En aan Allāh behoren de Schone (Perfecte) Namen toe, roept Hem dus daarmee aan.} [7:180]. Dus jij vraagt (Allāh), en zo vragen ook anderen. Men zoekt toenadering tot Allāh middels Zijn Namen en Eigenschappen, en men smeekt tot Allāh voor de moslims in tijden van droogte en ook daarbuiten.

Hieruit blijkt dat al-wasīlah in drie categorieën valt:

  1. Een wettige vorm: dit is het zoeken van nabijheid tot Allāh door het realiseren Zijn Tawḥīd, door geloof in Hem, door goede daden en door Zijn Namen en Eigenschappen.

  2. Een polytheïstische vorm: dit is het zoeken van nabijheid tot Allāh door het aanroepen van de doden, het vragen om hulp aan de doden, het doen van geloften of het slachten voor hen, of door het zoeken van toenadering middels afgoden, bomen, stenen of djinn. Dit is grote shirk (shirk akbar).

  3. Een vorm die innovatie is: dit is niet shirk, maar het is een innovatie (bid‘ah) en niet toegestaan. Zoals het zeggen van: “bij het recht van die-en-die,” of “bij de status (of eer) van die-en-die,” of “bij de status van de Profeet,” of “bij het recht van de profeten.” Dit is verwerpelijk, een innovatie en behoort tot de middelen die naar shirk leiden.

Tot de wettige middelen — zoals eerder vermeld — behoort het zoeken van nabijheid tot Allāh middels goede daden, en ook middels Zijn Namen en Eigenschappen. Al dit soort tawassul is toegestaan en wettig, ja.

Vraagsteller:

Moge Allāh u belonen. Wilt u, edele Shaykh, ingaan op de drogredenen van degenen die tawassul doen via geschapen wezens?

Shaykh ibn Bāz:

Deze drogredenen hebben geen enkele basis; zij zijn vals. Sommigen beweren: “Als het toegestaan is om tawassul te doen via iemands status of recht, dan betekent dat dat men die persoon mag aanroepen en iets van hem vragen.” Dat is onjuist, want tawassul middels iemands status of eer (jāh) is niet toegestaan — het is een innovatie (bid‘ah). En zelfs al zou het toegestaan zijn, dan nog zou dat geen bewijs vormen om hulp te vragen aan een (overleden) mens, want tawassul via status of eer is een smeekbede gericht tot Allāh; men vraagt aan Allāh “door de status/eer van die-en-die.” Dat is dus een vraag aan Allāh, niet aan een schepsel. De wasīlah zelf is echter verwerpelijk — een innovatie, wanneer ze gebeurt middels iemands status/eer of recht.

Maar als iemand Allāh aanroept middels Zijn Namen en Eigenschappen, of eenvoudigweg Allāh vraagt zonder iets als wasīlah te gebruiken — bijvoorbeeld zegt: “O Allāh, red ons van het Vuur, o Allāh, schenk ons regen, o Allāh, schenk ons regen” — dan is dat allemaal goed. En als hij zegt: “O Allāh, schenk ons regen uit Uw gunst, door Uw Namen en Eigenschappen, door Uw barmhartigheid,” dan is dat ook goed.

Wat betreft de drogreden dat de profeten een hoge status en positie bij Allāh hebben, en dat men hen daarom zou moeten aanroepen zodat zij voor ons bemiddelen — dit is vals. Hun status en positie bij Allāh vormen geen rechtvaardiging voor de polytheïsten om hen naast Allāh te aanbidden. Allāh heeft degenen veroordeeld die hen om hulp vroegen, hun voorspraak zochten en hen vroegen hen dichter tot Allāh te brengen. Allāh verklaarde hen leugenaars en ongelovigen en maakte duidelijk dat hun daden vals zijn en dat Allāh verheven is boven zulke beweringen.

Allāh () zegt: {Zeg: “Willen jullie Allāh inlichten over iets dat Hij niet kent in de hemelen en niet op de aarde?” Verheerlijkt en Ver Verheven is Hij boven wat zij aan Hem toekennen aan deelgenoten.} [10:18] En Hij () zegt: {Voorwaar, Allāh zal tussen hen oordelen over datgene waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allāh leidt niet wie een leugenaar en een ongelovige is.} [39:3].

Deze vorm van wasīlah die de polytheïsten gebruikten — via afgoden, profeten of djinn — waarbij zij hen om hulp vroegen, geloften voor hen aflegden en beweerden dat zij voor hen zouden bemiddelen, is ongeldig en vals. Allāh en Zijn Boodschapper hebben deze praktijk verworpen en vals verklaard, de moslimgemeenschap ervoor gewaarschuwd en bevolen dat alle aanbidding uitsluitend voor Allāh alleen moet zijn, Verheven is Hij.


Bron: binbaz.org.sa (Tags: tawassul, tawwassoel, tawasul, tawasoel, wasila, waseela, waseelah, wasilah, wasiela, wasielah, binbaz, bin baz, shirk)

Tags:
Aantal keer bekeken: 118
Heeft u een fout ontdekt in het artikel? Contacteer ons via contact@islamkennis.nl