Druk op Ctrl+P om af te drukken
of op te slaan als PDF

Het eerste waarmee men moet beginnen in da‘wah

De Profeet zei tegen Moe‘ādh ibn Djabal toen hij hem stuurde naar Jemen om de mensen uit te nodigen tot Allāh:

“Jij zult tot een volk komen behorende tot Ahl al-Kitāb (de mensen van het Boek). Laat dan het eerste waar jij hen toe uitnodigt de getuigenis zijn dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden behalve Allāh...” (al-Boekhārī & Moeslim)

Shaykh Ṣāliḥ al-Fawzān zei in zijn commentaar hierop:

Hierin zit een geleidelijke opbouw in de dawah (uitnodiging tot Allāh), en dat men begint met het belangrijkste, en daarna het volgende in belangrijkheid. Dit is de methode van de boodschappers: dat zij als eerste oproepen tot de getuigenis van lā ilāha illAllāh. Want dit is de basis en het fundament waarop de religie is gebouwd.

Wanneer de getuigenis van lā ilāha illAllāh is verwezenlijkt, dan kan daarop voortgebouwd worden met de andere zaken. Maar als die getuigenis niet verwezenlijkt is, dan hebben de overige zaken geen nut. Dus roep de mensen niet op tot het gebed terwijl zij afgoderij (shirk) begaan, en roep hen niet op tot het vasten, liefdadigheid, zakāt, het onderhouden van familiebanden en soortgelijke zaken terwijl zij deelgenoten aan Allāh toekennen in de aanbidding. Omdat jij het fundament niet eerst hebt gelegd.

Dit in tegenstelling tot veel van de predikers (doe‘āt) van vandaag de dag, die geen aandacht besteden aan de getuigenis van lā ilāha illAllāh. In plaats daarvan roepen zij de mensen op om rente (ribā) te verlaten, tot goede omgangsvormen, tot het oordelen volgens wat Allāh heeft neergezonden, en tot nog meer zaken — maar at-tawḥīd noemen zij niet en schenken zij geen aandacht, alsof het geen verplichting is. En er is geen macht en kracht behalve door Allāh!

Deze mensen, hoezeer zij zichzelf ook uitputten, hun werk zal geen nut hebben totdat zij het fundament verwezenlijken waarop de rest van de religieuze zaken — zoals al-ḥākimiyyah, het gebed, de zakāt, de ḥajj, enzovoort — gebouwd zijn.

Dit is de methodiek van de profeten. Zoals Allāh zegt:

{En voorzeker, Wij hebben in elke gemeenschap een boodschapper gezonden (met de boodschap): ‘Aanbid Allāh en mijd de ṭāghoet (valse goden).’} [16:36]

En Allāh vermeldt ook over Noe (vrede zij met hem) dat hij als eerste tegen zijn volk zei:

{Voorwaar, Wij hebben Noe tot zijn volk gezonden. Hij zei: ‘O mijn volk, aanbid Allāh. Jullie hebben geen andere god dan Hem.’} [7:59]

En over Hoed (vrede zij met hem):

{En tot Ād hun broeder Hoed. Hij zei: ‘O mijn volk, aanbid Allāh. Jullie hebben geen andere god dan Hem.’} [7:65]

En over Ṣāliḥ (vrede zij met hem):

{En tot Thamoed hun broeder Ṣāliḥ. Hij zei: ‘O mijn volk, aanbid Allāh. Jullie hebben geen andere god dan Hem.’} [7:73]

En over Shoeayb (vrede zij met hem):

{En tot Madyan hun broeder Shoeayb. Hij zei: ‘O mijn volk, aanbid Allāh. Jullie hebben geen andere god dan Hem. En verminder niet de maat en het gewicht.’} [11:84]

Elke boodschapper begint dus zijn oproep (da‘wah) met de getuigenis van lā ilāha illallāh. Hij roept op tot tawḥīd en tot het corrigeren van de geloofsovertuiging (aqīdah). Pas daarna beveelt hij hen de overige verplichtingen van de religie.

Maar wanneer men het omdraait — en begint met de bijzaken en de secundaire kwesties terwijl men het fundament verwaarloost — dan heeft dat werk geen nut. Stel dat een samenleving afstand neemt van rente, het gebed onderhoudt, de moskeeën vol zijn, en allerlei goede daden worden verricht — maar er is geen oprechte toewijding in tawḥīd: ze roepen anderen dan Allāh aan, zoals heiligen, vromen, profeten of graven — dan hebben hun daden geen nut. Zulke mensen zijn geen moslims, hoe vaak ze ook bidden en vasten.


Bron: I‘ānat al-Moestafīd bi Sharḥ Kitāb at-Tawḥīd, deel 1, pg. 147 (link) (Tags: tawhid, tawheed, dawah, da3wah, mu’adh, muadh, mu’aadh, ibn jabal, ahl al kitab, da’wah, shahadah, shahaadah)