De voorwaarden (shoeroeṭ) voor het gebed:
-
Islam.
-
Verstand.
-
Onderscheidingsvermogen.
-
Het opheffen van de staat van onreinheid (al-ḥadath).
-
Het verwijderen van onreinheid (nadjāsah) van het lichaam, de kleding en de plek van het gebed.
-
Het bedekken van de ‘awrah.
-
Het intreden van de gebedstijd.
-
Het richten naar de qiblah.
-
De intentie (niyyah).
De pilaren (arkān) van het gebed:
-
Het staan (al-qiyām) indien men daartoe in staat is.
-
De openingstakbīr (takbīrat al-iḥrām).
-
Het reciteren van Soerah al-Fātiḥah.
-
De neerbuiging (roekoe‘).
-
Het rechtop staan na de neerbuiging.
-
De neerknieling (soedjoed) op de zeven lichaamsdelen.
-
Het omhoog komen uit de neerknieling.
-
Het zitten tussen de twee neerknielingen.
-
Het tot rust komen (aṭ-ṭoma’nīnah) in alle pilaren.
-
Het aanhouden van de juiste volgorde (at-tartīb).
-
De laatste tashahhoed.
-
Het zitten voor de laatste tashahhoed.
-
Het uitspreken van de ṣalāh over de Profeet ﷺ.
-
De twee afsluitende salāms.
De verplichte handelingen (wādjibāt) van het gebed:
-
Alle takbīrs (het zeggen van “Allāho akbar”) behalve de openingstakbīr.
-
Het zeggen van “Soebḥāna Rabbiyal–‘Aẓīm” tijdens de neerbuiging (roekoe‘).
-
Het zeggen van “Sami‘allāho liman ḥamidah” door de imam en degene die alleen bidt.
-
Het zeggen van “Rabbanā wa laka-l-ḥamd” door iedereen (d.w.z. de imam, de volgelingen van de imam en degene die alleen bidt).
-
Het zeggen van “Soebḥāna Rabbiyal-A‘lā” tijdens de neerknieling (soedjoed).
-
Het zeggen van “Rabbi-ghfir lī” tussen de twee neerknielingen.
-
De eerste tashahhoed.
-
Het zitten voor de eerste tashahhoed.
De aanbevolen handelingen (Soenan) van het gebed:
De Soenan van het gebed zijn talrijk en zijn onderverdeeld in twee soorten.
Eerste soort: aanbevolen uitspraken
Waaronder onder andere:
-
De openingssmeekbede (doe‘ā’ al-istiftāḥ), het zoeken van toevlucht (at-ta‘awwoedh), het zeggen van “Bismillāhi-r-Raḥmāni-r-Raḥīm”, en het zeggen van “Āmīn”.
-
Meer dan één keer “Soebḥāna Rabbiyal-‘Aẓīm” zeggen tijdens de roekoe‘, en meer dan één keer “Soebḥāna Rabbiyal-A‘lā” zeggen tijdens de soedjoed.
-
Meer dan één keer “Rabbi-ghfir lī” zeggen tussen de twee neerknielingen.
-
Smeekbeden verrichten na de laatste tashahhoed (vóór de taslīm).
-
Hardop reciteren in het Fadjr-gebed, de eerste twee rak‘ahs van Maghrib en ‘Ishā’, het vrijdaggebed (ṣalāt al-djoemoe‘ah), het ‘Eid-gebed, het regen-gebed (ṣalāt al-istisqā’), en het eclipsgebed (ṣalāt al-koesoef).
-
Zachtjes reciteren in het Dhohr- en ‘Aṣr-gebed, in de derde rak‘ah van Maghrib, en in de laatste twee rak‘ahs van ‘Ishā’.
-
Het reciteren van extra verzen uit de Koran na Soerat al-Fātiḥah.
Tweede soort: aanbevolen handelingen
Waaronder onder andere:
-
Het plaatsen van de rechterhand op de linkerhand tijdens het staan.
-
Het heffen van de handen tot schouder- of oorhoogte op vier momenten: bij de openingstakbīr, bij het naar roekoe‘ gaan, bij het opstaan uit roekoe‘, en bij het opstaan na de eerste tashahhoed.
-
Het hoofd in lijn houden met de rug tijdens de roekoe‘ (neerbuiging).
-
Het van het lichaam houden van de bovenarmen van de zijden, en de buik van de dijen tijdens de soedjoed (neerknieling).
-
De onderarmen optillen van de grond tijdens de soedjoed.
-
De iftirāsh-houding: zitten op de linker voet met de rechter voet rechtop in de eerste tashahhoed, tussen de twee neerknielingen en in de laatste tashahhoed van een gebed bestaande uit twee rak‘ahs.
-
De tawarroek-houding: in de laatste tashahhoed van een gebed met drie of vier rak‘ahs, waarbij de bidder op zijn zitvlak zit, de linker voet onder de rechter voet schuift en de rechter voet rechtop houdt.
Het verschil tussen de pilaren, de verplichtingen en de Soenan van het gebed:
-
De pilaar (roekn):
Als je die opzettelijk of per ongeluk weglaat, dan is het gebed ongeldig. -
De verplichting (wādjib):
Als je die opzettelijk weglaat, dan is het gebed ongeldig. Maar als je die per ongeluk vergeet, dan wordt het gecompenseerd met twee neerknielingen van vergeetachtigheid (soedjoed as-sahw). -
De Soenan:
Het verrichten ervan is aanbevolen (moestaḥabb), en het niet verrichten ervan maakt het gebed niet ongeldig, noch bij opzet, noch bij vergeten.
Bron: Irshād al-Anām ilā Oṣoeli wa Moehimmāti Dīni-l-Islām met introducties van Shaykh ‘Abdel-‘Azīz Āle-sh-Shaykh & Shaykh Sālih al-Fawzān, pg. 73 en verder (link) (Ta
: namaz, salah, salat, shurut, arkan, arkaan, rukn, wajib, waajib, sunan, sunnah)
