Boek van het vasten — Een samenvatting van de regels omtrent het vasten

Leestijd: 19 min

[Hoofdstuk: De verplichting van het vasten van Ramadān en de tijd ervan]

Het vasten van de maand Ramadān is een zuil van de zuilen van de islam en een verplichting van de verplichtingen van Allāh, en behoort tot datgene wat noodzakelijk bekend is binnen de religie. Hierop wijzen het Boek, de Soennah en de consensus:

Allāh zegt: {O jullie die geloven, het vasten is jullie voorgeschreven, zoals het was voorgeschreven aan degenen vóór jullie…}(2:183), tot Zijn Uitspraak: {De maand Ramadān, waarin de Koran is neergezonden als leiding voor de mensen en duidelijke bewijzen van de leiding en het onderscheid. Wie van jullie getuige is van deze maand, laat hem deze dan vasten.}(2:185)

En de betekenis van {voorgeschreven} is: verplicht gesteld. En Hij ﷻ zei: {Wie van jullie getuige is van deze maand, laat hem deze dan vasten}(2:185) —en het bevel duidt op verplichting.

En de Profeet zei: “De islam is gebouwd op vijf (zuilen)”, en hij noemde daaronder het vasten van Ramadān.

En de overleveringen die wijzen op de verplichting ervan en op de deugd ervan zijn talrijk en algemeen bekend. En de moslims zijn het unaniem eens over de verplichting van het vasten ervan, en dat wie dit ontkent ongelovig wordt.

En de wijsheid achter de wettigheid van het vasten is dat het een zuivering van de ziel inhoudt, evenals reiniging van slechte en verwerpelijke zeden en karaktereigenschappen, omdat het de doorgangen van de shaytān in het lichaam van de mens vernauwt; want de shaytān stroomt door de zoon van Ādam zoals het bloed door hem stroomt. Wanneer de mens eet of drinkt, zet zijn ziel zich uit naar begeerten, verzwakt zijn wilskracht en neemt zijn verlangen naar aanbidding af. Het vasten doet het tegenovergestelde.

En in het vasten zit onthechting van het wereldse leven en haar begeerten, en aansporing tot het Hiernamaals. Daarin zit ook een aansporing tot mededogen met de armen en het aanvoelen van hun lijden, doordat de vastende de pijn van honger en dorst ervaart. Want het vasten betekent in de Islamitische wetgeving: het zich onthouden — met intentie — van specifieke zaken zoals eten, drinken, geslachtsgemeenschap en andere zaken die door de wetgeving zijn vastgesteld. En dit gaat gepaard met het zich onthouden van schaamteloos spreken en zondig gedrag.

En de verplichting van het dagelijkse vasten begint bij het aanbreken van de tweede dageraad (al-Fajr ath-Thānī); dat is het horizontale witte licht dat zich uitstrekt over de horizon. En het vasten eindigt bij zonsondergang. Allāh zegt: {En nu mogen jullie geslachtsgemeenschap hebben met hen} — dat wil zeggen: met jullie echtgenotes — {en zoek wat Allāh voor jullie heeft bepaald (van nakomelingen), en eet en drink totdat het voor jullie duidelijk wordt dat de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad, bij het aanbreken van de dageraad (al-Fajr). Volbreng vervolgens het vasten tot de nacht.}(2:187)

En de betekenis van: {totdat het voor jullie duidelijk wordt dat de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad} is: dat het wit van de dag duidelijk te onderscheiden wordt van het zwart van de nacht.

En de verplichting van het vasten van de maand Ramadān begint wanneer het binnentreden [van de maand] bekend is. Voor het vaststellen van het binnentreden ervan zijn er drie manieren:

  1. De eerste manier: het zien van de nieuwe maan. Allāh zegt: {Wie van jullie getuige is van deze maand, laat hem deze dan vasten.}(2:185) En de Profeet zei: “Vast wanneer jullie hem (d.w.z. de nieuwe maan) zien.” Wie dus de nieuwe maan zelf ziet, voor hem is het vasten verplicht.
  2. De tweede manier: getuigenis van het zien, of berichtgeving daarover. Er wordt gevast op basis van het zien van één betrouwbare, rechtvaardige, religieus verantwoordelijke persoon die daarvan bericht; op grond van de uitspraak van Ibn ‘Umar: “De mensen probeerden de nieuwe maan (van Ramadān) te zien, en ik berichtte de Boodschapper van Allāh dat ik het had gezien. Toen vastte hij en beval hij de mensen om te vasten.”
  3. De derde manier: het vervolmaken van het aantal dagen van de maand Sha‘bān tot dertig dagen. Dit gebeurt wanneer de nieuwe maan in de nacht van de dertigste van Sha‘bān niet wordt waargenomen, ongeacht of er een belemmering voor het zicht is, zoals bewolking of nevel, of niet. Dit is op grond van zijn uitspraak: “De maand kan negenentwintig dagen tellen. Vast dus niet totdat jullie de nieuwe maan (van de maand Ramadān) zien, en verbreek het vasten niet totdat jullie het (de nieuwe maan van de maand Shawwāl) zien. En als het voor jullie bedekt is (door bewolking e.d.), bepaal het dan.” En de betekenis van “bepaal het dan” is: vervolmaak de maand Sha‘bān tot dertig dagen; vanwege wat authentiek is overgeleverd van Abū Hurayrah: “En als het voor jullie bedekt is, reken dan dertig [dagen].”

Het vasten van Ramadān is verplicht voor iedere moslim die religieus verantwoordelijk (mukallaf) en daartoe in staat is. Het is niet verplicht voor een ongelovige en het is van hem niet geldig. Als hij zich midden in de maand bekeert, dan vast hij de resterende dagen, en hij is niet verplicht de voorafgaande dagen in te halen die hij tijdens zijn ongeloof heeft gemist.

Het vasten is niet verplicht voor een kind (die de puberteit nog niet heeft bereikt). Het vasten van een onderscheidingsbekwaam kind is wel geldig en geldt voor hem als een vrijwillige daad.

Het vasten is niet verplicht voor een krankzinnige. Zelfs als hij vast tijdens zijn krankzinnigheid, is dit van hem niet geldig, wegens het ontbreken van de intentie.

Het vasten is niet verplicht om uit te voeren voor een zieke die daartoe niet in staat is, noch voor een reiziger. Beiden halen het vasten in wanneer de belemmering van ziekte of reis is verdwenen. Allāh zegt: {Maar wie ziek is of op reis, [die vast] dan eenzelfde aantal [dagen] op andere dagen.}(2:184)

Degenen die worden aangesproken met de verplichting tot het vasten zijn: de ingezetene (niet-reiziger) en de reiziger, de gezonde en de zieke, de reine, de menstruerende en de kraamvrouw (de vrouw met kraambloeding), en ook degene die bewusteloos is. Al deze personen zijn verplicht tot het vasten in hun aansprakelijkheid; in die zin dat zij tot het vasten worden aangesproken zodat zij de verplichting ervan in hun aansprakelijkheid erkennen en het voornemen hebben het te verrichten, hetzij als onmiddellijke verrichting (tijdens de maand zelf), hetzij als inhaling.

Tot hen behoort degene die tot het vasten in de maand zelf wordt aangesproken als onmiddellijke verrichting, en dat is de gezonde ingezetene, met uitzondering van de menstruerende en de kraamvrouw. Tot hen behoort ook degene die uitsluitend tot het inhalen wordt aangesproken, en dat zijn de menstruerende en de kraamvrouw, evenals de zieke die niet in staat is het vasten te verrichten maar het later wel kan inhalen. En tot hen behoort degene die de keuze heeft tussen beide, en dat is de reiziger en de zieke die het vasten met moeite kan verrichten maar zonder dat hij ondergang voor zichzelf vreest.

En wie het vasten heeft verbroken wegens een geldig excuus, waarna zijn excuus tijdens een dag van Ramadān wegvalt — zoals de reiziger die van zijn reis terugkeert, de menstruerende en de kraamvrouw die rein worden, de ongelovige die de islam aanneemt, de krankzinnige die bij bewustzijn komt, en het kind dat de puberteit bereikt — ieder van hen is verplicht zich de rest van de dag (tot aan zonsondergang) te onthouden (van alle zaken die verboden zijn tijdens het vasten) én die dag in te halen.

Evenzo geldt dit wanneer het bewijs voor het binnentreden van de maand tijdens de dag wordt vastgesteld: dan onthouden de moslims zich de rest van de dag (van alle zaken die verboden zijn tijdens het vasten) en halen zij die dag na Ramadān in.

[Hoofdstuk: Het begin en het einde van de vastendag]

Allāh zegt: {Het is jullie in de nacht van het vasten toegestaan (seksuele) omgang te hebben met jullie vrouwen. Zij zijn (als) kleding voor jullie en jullie zijn (als) kleding voor hen. Allāh wist dat jullie jezelf bedrogen, en Hij heeft jullie berouw aanvaard en jullie vergeven. En nu mogen jullie geslachtsgemeenschap hebben met hen (jullie vrouwen), en zoek wat Allāh voor jullie heeft bepaald (van nakomelingen), en eet en drink totdat het voor jullie duidelijk wordt dat de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad, bij het aanbreken van de dageraad (al-Fadjr). Volbreng vervolgens het vasten tot de nacht.}(2:187)

Imām Ibn Kathīr (moge Allāh hem genadig zijn) zei: “Dit is een rokhṣah (concessie, verlichting) van Allāh voor de moslims, en een opheffing van wat in het begin van de islam van kracht was. Want wanneer één van hen (in het begin van de islam) zijn vasten verbrak, waren eten, drinken en geslachtsgemeenschap voor hem slechts toegestaan tot het ‘ishā’-gebed of totdat hij vóór die tijd in slaap viel. Zodra hij sliep of het ‘ishā’-gebed verrichtte, werden eten, drinken en geslachtsgemeenschap voor hem verboden tot de volgende nacht. Zij ondervonden daardoor grote moeilijkheid. Toen werd dit vers neergezonden, en zij waren er zeer verheugd over, aangezien Allāh eten, drinken en geslachtsgemeenschap toestond op elk moment van de nacht dat de vastende wenste, totdat het licht van de ochtend duidelijk wordt onderscheiden van de duisternis van de nacht.”

Uit het edele vers blijkt de afbakening van het dagelijkse vasten wat betreft begin en einde: het begin is bij het aanbreken van de tweede dageraad (ook wel de “waarachtige dageraad” genoemd) en het einde bij zonsondergang.

En in Zijn toestaan van eten en drinken tot het aanbreken van al-Fajr (de dageraad) ligt een bewijs voor de aanbevelenswaardigheid van de suḥūr (het nuttigen van een maaltijd vóór al-Fajr). In de twee Ṣaḥīḥ-verzamelingen, overgeleverd van Anas, zei hij: de Boodschapper van Allāh zei: “Verricht de suḥūr, want in de maaltijd van de suḥūr zit zegen.”

Er zijn veel overleveringen overgeleverd die aansporen tot het verrichten van de suḥūr, zelfs al is het maar met een slok water. En het is aanbevolen om deze uit te stellen tot het moment net voor al-Fajr.

En als iemand wakker wordt terwijl hij zich in staat van grote rituele onreinheid (janābah) bevindt, of als de menstruerende vrouw vóór het aanbreken van al-Fajr rein wordt, dan beginnen zij eerst met de suḥūr, vasten zij, en stellen zij de ghusl (grote rituele wassing) uit tot ná het aanbreken van al-Fajr.

En sommige mensen vervroegen de suḥūr omdat zij het grootste deel van de nacht opblijven, daarna suḥūr verrichten en enkele uren vóór al-Fajr gaan slapen. Zij hebben meerdere fouten begaan:

  1. Ten eerste: omdat zij begonnen met vasten vóór de tijd van het vasten.
  2. Ten tweede: zij (de mannen) laten het Fajr-gebed in gemeenschap (in de moskee) achterwege en zijn Allāh ongehoorzaam door datgene te verlaten wat Allāh hun verplicht heeft gesteld van het gezamenlijk gebed (in de moskee).
  3. Ten derde: mogelijk stellen zij het Fajr-gebed uit tot na het verstrijken van zijn tijd, zodat zij pas bidden na zonsopgang (shurūq). Dit is een zwaardere overtreding en een grotere zonde. Allāh zegt: {Wee dan de biddenden, die achteloos zijn ten aanzien van hun gebed.}(107:4–5)

En het is noodzakelijk dat men de intentie voor het verplichte vasten tijdens de nacht aanneemt. Als iemand de intentie tot vasten heeft aangenomen maar pas na het aanbreken van al-Fajr wakker wordt, dan onthoudt hij zich (van alle zaken die het vasten verbreken), en zijn vasten is geldig en volledig, zo Allāh wil.

Het is aanbevolen het vasten te verbreken zodra de zonsondergang met zekerheid is vastgesteld door deze te zien, of wanneer men dit met grote waarschijnlijkheid aanneemt op basis van het bericht van een betrouwbare persoon, zoals door de Adhān of iets dergelijks. Zo is overgeleverd van Sahl ibn Sa‘d (moge Allāh tevreden zijn met hem) dat de Profeet zei: “De mensen zullen in een goede toestand blijven zolang zij hun vasten snel verbreken.”

En hij zei in wat hij overlevert van zijn Heer : “De meest geliefde van Mijn dienaren bij Mij zijn degenen die hun vasten het snelst verbreken.”

En het is Soennah om het vasten te verbreken met verse dadels (rotab). Als hij die niet vindt, dan met droge dadels (tamr). En als hij die niet vindt, dan met water. Dit is op grond van de overlevering van Anas (moge Allāh tevreden zijn met hem): “De Profeet verbrak zijn vasten vóórdat hij bad met verse dadels. Als er geen verse dadels waren, dan met droge dadels. En als er geen droge dadels waren, dan nam hij enkele slokken water …”

En als hij geen verse dadels, geen droge dadels en geen water vindt, dan verbreekt hij zijn vasten met wat aan voedsel en drank voorhanden is.

En hier is een zaak waarop gewezen moet worden: sommige mannen zitten aan hun ifṭār-tafel, eten het avondmaal en laten het Maghreb-gebed in gemeenschap in de moskee achterwege. Daarmee begaan zij (de mannen) een grote fout, namelijk het te laat komen voor het gemeenschappelijk gebed in de moskee. Zij ontnemen zichzelf daarmee een geweldige beloning en stellen zichzelf bloot aan bestraffing. Wat wettelijk voorgeschreven is voor de vastende (man), is dat hij eerst het vasten verbreekt, daarna naar het gebed gaat, en vervolgens na het gebed het avondmaal nuttigt.

En het is aanbevolen dat hij bij het verbreken van het vasten smeekbeden verricht met wat hij wenst. De Profeet zei: “Voor de vastende is er bij het verbreken van zijn vasten een smeekbede die niet wordt afgewezen.”

En van de overgeleverde smeekbeden is dat hij zegt: “O Allāh, voor U heb ik gevast en met Uw voorziening heb ik het vasten verbroken. (Allāhumma laka ṣumtu, wa ‘alā rizqika afṭartu)”  

En wanneer hij zijn vasten verbrak, zei hij: “De dorst is verdwenen, de aderen zijn bevochtigd en de beloning staat vast, zo Allāh wil (Dhahaba-ẓ-ẓama’u, wa-btallati-l-‘urūqu, wa thabata-l-ajru in-shā’-Allāh).” 

[Hoofdstuk: De zaken die het vasten verbreken]

Het vasten kent zaken die het ongeldig maken, welke de moslim moet kennen om ze te vermijden en zich ervoor te hoeden, omdat zij het vasten verbreken en zijn vasten ongeldig maken.

En deze zaken die het vasten verbreken zijn onder andere:

  1. Geslachtsgemeenschap: wanneer de vastende geslachtsgemeenschap heeft, wordt zijn vasten ongeldig. Hij is verplicht die dag in te halen en daarnaast is hij verplicht tot het verrichten van de boetedoening (kaffārah). Deze is: het vrijlaten van een slaaf. Als hij geen slaaf vindt of de waarde ervan niet bezit, dan moet hij twee opeenvolgende maanden vasten. Als hij niet in staat is twee opeenvolgende maanden te vasten wegens een wettige reden, dan moet hij zestig armen voeden, voor iedere arme een halve ṣā‘ (ongeveer 1.5kg) van het voedsel dat in het land gebruikelijk is.

  2. Het ejaculeren door kussen, aanraken, masturbatie of herhaald kijken. Als iets van dat alles plaatsvindt, wordt zijn vasten ongeldig en is hij enkel verplicht tot het inhalen, zonder boetedoening, omdat de boetedoening specifiek is voor geslachtsgemeenschap.

    En wie slaapt en een natte droom krijgt waardoor hij ejaculeert, op hem rust niets en zijn vasten is geldig, omdat dit zonder keuze is gebeurd. Wel moet hij zich reinigen van de grote rituele onreinheid (door het verrichten van de ghusl).

  1. Opzettelijk eten of drinken; op grond van Zijn Uitspraak: {en eet en drink totdat het voor jullie duidelijk wordt dat de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad, bij het aanbreken van de dageraad (al-Fadjr). Volbreng vervolgens het vasten tot de nacht.}(2:187)

    Wat betreft degene die eet en drinkt uit vergeetachtigheid: dit heeft geen invloed op zijn vasten. In de overlevering staat: “Wie eet of drinkt uit vergeetachtigheid, laat hem zijn vasten voortzetten, want Allāh heeft hem gevoed en te drinken gegeven.”

    Tot de zaken die het vasten verbreken behoort ook het laten binnendringen van water en dergelijke in de maag via de neus, wat su‘ūṭ wordt genoemd, evenals het toedienen van voeding via de ader en het inspuiten van bloed bij de vastende. Dit alles maakt zijn vasten ongeldig, omdat het voor hem voeding betekent.

    Daaronder valt ook het inspuiten van voedende injecties bij de vastende, omdat zij de plaats innemen van voedsel, en dat maakt het vasten ongeldig. Wat betreft niet-voedende injecties: ook die dient de vastende te vermijden ter bescherming van zijn vasten, en op grond van de uitspraak van de Profeet : “Laat datgene wat je twijfel bezorgt achterwege voor datgene wat je geen twijfel bezorgt,” en hij stelt deze (injecties) uit tot de nacht.

  2. Het laten uitstromen van bloed uit het lichaam door middel van ḥijāmah (cupping), aderlating of het afnemen van bloed om het te doneren ter hulp van een zieke; dit alles verbreekt het vasten.

    Wat betreft het afnemen van een kleine hoeveelheid bloed, zoals datgene wat voor analyse wordt afgenomen: dit heeft geen invloed op het vasten. Evenzo heeft het onvrijwillig uitstromen van bloed, zoals bij een bloedneus, een wond of het trekken van een tand, geen invloed op het vasten.

  1. Tot de zaken die het vasten verbreken behoort ook het braken (overgeven), namelijk het opzettelijk naar buiten brengen via de mond van wat zich in de maag bevindt aan voedsel of drank; hierdoor wordt het vasten verbroken. Maar als het braken iemand overkomt en zonder zijn keuze naar buiten komt, dan heeft dit geen invloed op zijn vasten, op grond van zijn uitspraak : “Wie door braken wordt overmand, op hem rust geen inhaalplicht; en wie opzettelijk braakt, laat hem [het vasten] inhalen.” En de betekenis van “door braken wordt overmand” is: dat het zonder zijn keuze naar buiten komt. En de betekenis van zijn uitspraak “opzettelijk braakt” is: dat hij het braken bewust veroorzaakt.

En de vastende dient het gebruik van koḥl en het behandelen van de ogen met oogdruppels of anderszins tijdens het vasten te vermijden, ter bescherming van zijn vasten.

En hij dient niet tot het uiterste te gaan bij het spoelen van de mond en het opsnuiven van water, omdat er mogelijk water in zijn maag terechtkomt. Hij zei: “Ga tot het uiterste bij het opsnuiven van water, behalve wanneer je vast.”

Het gebruik van de siwāk heeft geen invloed op het vasten; integendeel, het is aanbevolen en aangemoedigd voor de vastende en anderen, aan het begin van de dag en aan het einde ervan, volgens de juiste mening.

En als stof of een vlieg onbedoeld in zijn keel terechtkomt, heeft dit geen invloed op zijn vasten.

En de vastende is verplicht het liegen, roddelen en schelden te vermijden. En als iemand hem uitscheldt of beledigt, laat hij dan zeggen: “Ik vast.” Want voor sommige mensen is het gemakkelijk om eten en drinken te laten, maar niet gemakkelijk om datgene te laten waaraan zij gewend zijn van slechte woorden en daden. Daarom zei een aantal van de vrome voorgangers: Het gemakkelijkste van het vasten is het laten van eten en drinken.

Daarom behoort de moslim Allāh te vrezen, voor Hem te ontzag te hebben en de Grootsheid van zijn Heer en Zijn Voortdurende Toezien in elke tijd en in elke toestand te beseffen. Zo bewaart hij zijn vasten tegen alles wat het ongeldig maakt en wat het vermindert, zodat zijn vasten geldig is.

En het behoort de vastende toe zich bezig te houden met het gedenken van Allāh, het reciteren van de Koran en het veelvuldig verrichten van vrijwillige daden. De vrome voorgangers plachten, wanneer zij vastten, in de moskeeën te zitten en te zeggen: “Wij beschermen ons vasten en roddelen over niemand.” En hij zei: “Wie het spreken van Zūr (valsheid en leugens) en het handelen ernaar niet laat, Allāh heeft er geen behoefte aan dat hij zijn eten en drinken laat.”

Dat is omdat men geen toenadering tot Allāh verkrijgt door het laten van deze begeerten die buiten de staat van vasten toegestaan zijn, behalve nadat men toenadering tot Hem heeft verkregen door het laten van wat Allah in alle omstandigheden heeft verboden, zoals liegen, onrecht en het schenden van de rechten van mensen wat betreft hun bloed, hun bezittingen en hun eer.

Overgeleverd van Abū Hurayrah: “De vastende verkeert in aanbidding zolang hij niet roddelt over een moslim en hem geen kwaad doet.” En van Anas is overgeleverd: “Degene die blijft eten van het vlees van de mensen, vast niet.”

De vastende laat zaken achter die buiten de staat van vasten toegestaan waren; des te meer behoort hij de zaken te laten die hem in alle omstandigheden niet zijn toegestaan, opdat hij werkelijk tot de rangen van de vastenden behoort.

[Hoofdstuk: De regels betreffende het inhalen van het vasten]

Wie in Ramadān het vasten verbreekt om een toegestane reden, zoals wettige excuses die het verbreken van het vasten toestaan, of om een verboden reden, zoals degene die zijn vasten ongeldig maakt door geslachtsgemeenschap of iets anders, is verplicht tot het inhalen ervan, op grond van Zijn Uitspraak: {dan eenzelfde aantal [dagen] op andere dagen.}(2:184)

En het is aanbevolen dat hij zich haast met het inhalen, om zijn verplichting na te komen. En het is aanbevolen dat het inhalen aaneengesloten gebeurt, omdat het inhalen het verrichten (van het verplichte vasten in Ramadān zelf) weerspiegelt. En als hij niet meteen inhaalt, dan is het verplicht dat hij het vaste voornemen daartoe heeft. Uitstel is toegestaan, omdat de tijd daarvoor ruim is, en elke verplichting met een ruime tijd mag worden uitgesteld mits men het vaste voornemen heeft. Eveneens is het toegestaan het inhalen te spreiden, door de dagen afzonderlijk te vasten.

Maar als er van de maand Sha‘bān (vóór de volgende Ramadān) slechts zoveel dagen overblijven als hij nog moet inhalen, dan is hij verplicht deze aaneengesloten te vasten volgens consensus, vanwege de krappe tijd. En het is niet toegestaan het inhalen uit te stellen tot na de volgende Ramadān zonder geldige reden, op grond van de uitspraak van ‘Ā’ishah (moge Allāh tevreden zijn met haar): “Het kwam voor dat ik vastendagen van Ramadān moest inhalen, maar ik kon deze pas in Sha‘bān inhalen, vanwege [mijn dienst aan] de Boodschapper van Allāh .”

Dit wijst erop dat de tijd voor het inhalen ruim is, totdat er van de maand Sha‘bān slechts zoveel dagen overblijven als men nog moet inhalen; dan is men verplicht deze te vasten vóór het binnentreden van de nieuwe Ramadān.

Als hij het inhalen uitstelt totdat de nieuwe Ramadān reeds is aangebroken, dan vast hij (eerst) deze nieuwe Ramadān en haalt hij daarna in wat hij nog verschuldigd is (van de Ramadān ervóór). Als het uitstellen gebeurde wegens een geldige reden waardoor hij in die periode niet in staat was om in te halen, dan rust op hem enkel het inhalen. Maar als het uitstellen zonder geldige reden was, dan is hij naast het inhalen ook verplicht voor elke dag een arme te voeden met een halve ṣā‘ (ongeveer 1.5kg) van het gebruikelijke basisvoedsel van het land.

En als iemand die nog inhaaldagen verschuldigd is overlijdt vóór het binnentreden van de nieuwe Ramadān, dan rust er niets op hem, omdat hij het recht had om in die periode uit te stellen waarin hij is overleden. En als hij overlijdt na het binnentreden van de nieuwe Ramadān: als het inhalen werd uitgesteld wegens een geldige reden, zoals ziekte of reis, totdat de nieuwe Ramadān aanbrak, dan rust er ook niets op hem. Maar als het uitstellen zonder geldige reden was, dan is de boetedoening verplicht uit zijn nalatenschap, door voor elke dag een arme te voeden.

En als iemand overlijdt terwijl hij een vasten van boetedoening (kaffārah) verschuldigd is, zoals het vasten van de boetedoening voor ẓihār of het verplichte vasten vanwege het offer van tamattu‘ bij de ḥadj (bedevaart), dan wordt er voor hem voor elke dag een arme gevoed, en er wordt niet voor hem gevast (door zijn nakomelingen). Het voeden gebeurt uit zijn nalatenschap, omdat dit een vasten is waarvoor vertegenwoordiging tijdens het leven niet geldig is, en dus evenmin na de dood. Dit is de mening van de meeste geleerden.

En als iemand overlijdt terwijl hij een vasten van een gelofte (nadhr) verschuldigd is, dan is het aanbevolen dat zijn waliyy voor hem vast. Dit is op grond van wat is vastgesteld in de twee Ṣaḥīḥ-verzamelingen: dat een vrouw naar de Profeet kwam en zei: “Mijn moeder is overleden terwijl zij een vasten van een gelofte verschuldigd was; zal ik voor haar vasten?” Hij ﷺ zei: “Ja.” En de waliyy is de erfgenaam.

Ibn al-Qayyim (moge Allāh hem genadig zijn) zei: “Het vasten van een gelofte wordt voor hem (de overledene) verricht, maar niet het oorspronkelijke verplichte vasten. Dit is de mening van Aḥmad en anderen, en dit is overgeleverd van Ibn ‘Abbās en ‘Ā’ishah. Dit is ook wat het bewijs en de analogie (qiyās) vereisen. Want de gelofte (nadhr) is niet verplicht op grond van de oorspronkelijke wetgeving, maar de dienaar heeft het voor zichzelf verplicht gesteld, waardoor het de status krijgt van een schuld. Daarom heeft de Profeet ﷺ het vergeleken met een schuld. Wat betreft het vasten dat Allāh hem oorspronkelijk verplicht heeft gesteld: dat is één van de zuilen van de islam, en daarvoor is vertegenwoordiging (door iemand anders) in geen enkel geval geldig, net zoals dat niet geldt voor het gebed en de twee geloofsgetuigenissen. Want het doel daarvan is dat de dienaar zelf gehoorzaamheid betoont en zijn plicht van dienaarschap vervult waarvoor hij is geschapen en waartoe hij is bevolen. Dit kan niemand anders voor hem verrichten, en niemand kan voor hem bidden.”

[Hoofdstuk: Wat verplicht is voor wie het vasten verbreekt wegens ouderdom of ziekte]

Allāh heeft het vasten van Ramadān verplicht gesteld voor de moslims: als uitvoering (tijdens de maand Ramadān) voor degenen zonder geldige excuses, en als inhaling voor degenen met geldige excuses die in staat zijn het vasten op andere dagen in te halen. En er is een derde categorie die niet in staat is te vasten, noch door uitvoering noch door inhalen, zoals de zeer bejaarde en degene met een chronische ziekte waarvan geen genezing wordt verwacht. Voor deze categorie heeft Allāh verlichting gebracht en in plaats van het vasten het voeden van een arme verplicht gesteld voor elke dag met een halve ṣā‘ aan voedsel.

Allāh zegt: {Allāh belast geen ziel behalve naar haar vermogen.}(2:286)

En Hij zegt: {En op degenen (van hen) die het (slechts met grote moeite) kunnen volbrengen, rust de plicht van Fidyah: het voeden van een arme.}(2:184) Ibn ‘Abbās (moge Allāh tevreden zijn met hem) zei: “Dit geldt voor de bejaarde die niet in staat is te vasten.”

En de zieke van wie geen genezing van zijn ziekte wordt verwacht, heeft dezelfde status als de bejaarde; hij voedt daarom voor elke dag een arme.

Wat betreft degene die het vasten verbreekt wegens een excuus dat verdwijnt, zoals de reiziger, de zieke met een ziekte waarvan herstel wordt verwacht, de zwangere en de zogende vrouw wanneer zij vrezen voor zichzelf of voor hun kind, en de menstruerende en de kraamvrouw: ieder van hen is verplicht tot het inhalen van de dagen waarin hij of zij het vasten heeft verbroken. Allāh zegt: {Maar wie ziek is of op reis, [die vast] dan eenzelfde aantal [dagen] op andere dagen.}(2:184)

Het verbreken van het vasten door de zieke voor wie het vasten schadelijk is, en door de reiziger voor wie het is toegestaan het gebed in te korten, is Soennah. Dit op grond van Zijn Uitspraak met betrekking tot hen: {dan eenzelfde aantal [dagen] op andere dagen.}(2:184) — dat wil zeggen: laat hem het vasten verbreken en het aantal dagen dat hij heeft verbroken inhalen. En Allāh zegt: {Allāh wil voor jullie gemak en Hij wil voor jullie geen moeilijkheid.}(2:185)

En de Profeet kreeg nooit de keuze tussen twee zaken, of hij koos de gemakkelijkste daarvan. En in de twee Ṣaḥīḥ-verzamelingen staat: “Het behoort niet tot de vroomheid (birr) om te vasten tijdens de reis.”

En als de reiziger of de zieke voor wie het vasten zwaar is toch vast, dan is hun vasten geldig, maar afkeurenswaardig. Wat betreft de menstruerende en de kraamvrouw: voor haar is het vasten tijdens de menstruatie en de kraambloeding verboden en niet geldig.

En de zogende en de zwangere vrouw zijn verplicht de dagen waarin ze het vasten hebben verbroken in te halen op andere dagen. En naast het inhalen is de vrouw die het vasten heeft verbroken uit vrees voor haar kind verplicht voor elke gemiste dag een arme te voeden.

En de geleerde Ibn al-Qayyim (moge Allāh hem genadig zijn) zei: “Ibn ‘Abbās en anderen van de metgezellen hebben een fatwa gegeven dat de zwangere en de zogende vrouw, wanneer zij vrezen voor hun kinderen, het vasten verbreken en voor elke dag een arme voeden, waarbij het voeden in de plaats wordt gesteld van het vasten” — dat wil zeggen: als uitvoering — met de verplichting voor beiden om in te halen.

En het verbreken van het vasten is verplicht voor degene die dit nodig heeft om iemand te redden die in levensgevaar verkeert, zoals een drenkeling en dergelijke. Ibn al-Qayyim zei: “En de redenen om het vasten te verbreken zijn vier: reis, ziekte, menstruatie, en de vrees voor het omkomen van iemand voor wie men vreest dat hij door het vasten ten onder zal gaan, zoals de zogende en de zwangere vrouw; en daartoe behoort ook het geval van de drenkeling.”

En het is verplicht voor de moslim om de intentie voor het verplichte vasten in de nacht aan te nemen, zoals het vasten van Ramadān, het vasten van boetedoening en het vasten van een gelofte; door te beseffen dat hij vast voor Ramadān of het inhalen daarvan, of dat hij vast voor een gelofte of een boetedoening. Dit is op grond van zijn uitspraak : “Voorwaar, de daden zijn slechts naargelang de intenties, en voorwaar, ieder krijgt wat hij als intentie had.”

En overgeleverd van ‘Ā’ishah dat de Profeet zei: “Wie de intentie voor het vasten niet vóór het aanbreken van de dageraad (Fajr) heeft aangenomen, voor hem is er geen vasten.”

Daarom is het verplicht om de intentie voor het verplichte vasten in de nacht aan te nemen. Wie pas overdag de intentie tot vasten aanneemt — zoals iemand die de ochtend ingaat zonder na het aanbreken van de dageraad iets te hebben gegeten, en daarna de intentie tot vasten maakt — dat is voor hem niet geldig, behalve bij vrijwillig vasten. Wat betreft het verplichte vasten: dit komt niet tot stand met een intentie die overdag wordt gemaakt, omdat het vasten de gehele dag verplicht is en de intentie niet terugwerkt op het verleden.

Wat betreft het vrijwillige vasten: dit is toegestaan met een intentie die overdag (na Fajr) wordt gemaakt, op grond van de overlevering van ‘Ā’ishah: “De Profeet kwam op een dag binnen en zei: ‘Hebben jullie iets (te eten)?’ Wij zeiden: ‘Nee.’ Toen zei hij: ‘Dan vast ik.’”

In deze overlevering blijkt dat hij niet vastte, omdat hij om eten vroeg. Hierin zit een bewijs voor de toelaatbaarheid om de intentie voor het vasten uit te stellen wanneer het een vrijwillig vasten betreft. Daarmee worden de bewijzen die dit verbieden, gespecificeerd.

De voorwaarde voor de geldigheid van vrijwillig vasten met een intentie die overdag wordt gemaakt, is dat er vóór de intentie niets heeft plaatsgevonden wat het vasten ongeldig maakt, zoals eten, drinken en dergelijke. Als hij vóór de intentie iets heeft gedaan wat het vasten verbreekt, dan is het vasten niet geldig, zonder meningsverschil.


Bron: al-Mulakhaṣ al-Fiqhī van Shaykh Ṣāliḥ al-Fawzān (Tags: mulakhas, mulagas, moelagas, moelakhas, fiqhi alfiqhi, fawzan, fawzaan, ramadan, vasten, vastenboek, handleiding, regelgevingen, regels, ahkam, ahkaam)

Tags:
Aantal keer bekeken: 330
Heeft u een fout ontdekt in het artikel? Contacteer ons via contact@islamkennis.nl