Shaykh Ṣāliḥ al-Fawzān zei:
Het is afgeraden de salām (vredesgroet) te geven in veertien gevallen:
1. Het eerste geval: de salām geven aan iemand die in gesprek is met een ander. Dit is afgeraden omdat hij bezig is met praten.
2. Het tweede geval: de salām geven aan iemand die bezig is met het gedenken (dhikr) van Allāh — zoals met tasbīḥ (het zeggen van “subḥānallāh”), tahlīl (het zeggen van “lā ilāha illa-llāh”) of het reciteren van de Koran.
3. Het derde geval: de salām geven aan iemand die bezig is met het overleveren van een ḥadīth van de Profeet ﷺ.
4. Het vierde geval: de salām geven aan de khaṭīb (prediker) wanneer hij bezig is met zijn preek, behalve tijdens de vrijdagpreek — want tijdens de vrijdagpreek is het verboden te spreken, en zowel de khaṭīb als de luisteraars de salām geven is dan niet toegestaan.
5. Het vijfde geval: de salām geven aan iemand die een les geeft — in de Koran, of in de ḥadīth, of in fiqh, of in grammatica. Je geeft hem geen salām. Sommige mensen komen naar de bijeenkomst terwijl de les bezig is en geven de salām met luide stem; dit is afgeraden, want het leidt de leraar af, het leidt de aanwezigen en de luisteraars af, en het trekt hun aandacht naar hem toe.
6. Het zesde geval: de salām geven aan iemand die verdiept is in het onderzoeken van een kennis-gerelateerde vraagstuk of kwestie. Je geeft hem geen salām waardoor je zijn onderzoek onderbreekt. Dit is niet voorgeschreven.
7. Het zevende geval: de salām geven aan iemand die een vermaning geeft aan de mensen. Als je binnenkomt, ga dan zitten en luister, maar geef hem geen salām, want daarmee stoor je zowel de vermaner als de luisteraars.
8. Het achtste geval: de salām geven aan iemand die bezig is met het herhalen en bestuderen van fiqh (kennis van jurisprudentie).
9. Het negende geval: de salām geven aan de mu’adhdhin (oproeper tot het gebed) tijdens het geven van de adhān. Je geeft hem geen salām, want daarmee onderbreek je zijn oproep.
10. Het tiende geval: de salām geven aan iemand die aan het bidden is. Als je binnenkomt en iemand aantreft die bidt, geef hem dan geen salām totdat hij zijn gebed heeft beëindigd. Er wordt overgeleverd dat één van de metgezellen de Profeet ﷺ de salām gaf terwijl hij aan het bidden was, en hij antwoordde met een gebaar. Dus als iemand jou de salām geeft terwijl jij bidt, beantwoord je die met een gebaar.
11. Het elfde geval: de salām geven aan iemand die bezig is met de rituele wassing (wudū’). Je geeft hem geen salām totdat hij klaar is. Maar als iemand zich wast zonder dat het met aanbidding te maken heeft, bijvoorbeeld om af te koelen of zich schoon te maken, dan is er geen bezwaar tegen om hem de salām te geven.
12. Het twaalfde geval: de salām geven aan iemand die bezig is met eten. Dit is niet voorgeschreven.
13. Het dertiende geval: de salām geven aan iemand die zijn behoefte doet (urineren of ontlasten) — dit is nog ernstiger. Degene die urineert of zich ontlast, groet je niet terwijl hij daarmee bezig is. Want het is afkeurenswaardig dat iemand die aan het urineren of ontlasten is spreekt in die situatie; daarom geef je hem geen salām.
14. Het veertiende geval: de salām geven iemand die de vijanden bestrijdt in de oorlog. De strijder tijdens het gevecht groet je niet, want hij is te zeer bezig met het gevecht tegen de vijanden van Allāh om zich met jou bezig te houden.
Bron: Ithḥāf al-Ṭullāb bi-Sharḥ Manẓūmat al-Ādāb, pg. 219-221
